worden aangevallen, en achternagezeten de vlucht moeten nemen. Eli aan de hand van de grooten, in een wervelwind van jagen en hijgen en hartbonzendc vrees voor bloedige wond van vuisten, stokken, klompen en steenen. Dan breekt alles in stukken in de wereld en blijft er nog maar één uitkomst: de brug en de stad, want zoover komen de kinkels niet, en daarna dan het huis, en de deur achter hun beschaamd-wilde oogen en verborgen hamerende harten dicht. Maar soms loopt het vredig af; en wat moeten zij er nu van maken, nu zij van het afleveren geen twee dubbeltjes konden wegknijpen?
In Watermuiden is ook zoo’n fijn nasch-winkeltje. Het lokt hen overmachtig met zijn vruchten en zijn thuis nooit gekende zoetigheid.
Zij draaien er al om heen en kijken elkaar aan:
,,Gaan jullie wat koopen?” vraagt Eli.
„Hou je smoel! hou je smoel,” lachen zij.
„Durfjij? zonder mezomme?”
„Hier? Ze doet het niet, ’n stuk mamzerbenneniddete.” „En d’r is toch geen mezomme ? waarvan ?”
„Weet ik veel. Dat komt wel. Heb jij zorg? We hebben toch zeker handen aan ons lijf?”
Ze schieten beiden in een lach. „Je kunt toch zeker je vingers wel gebruiken? niet?”
„Ik kan hier toch mijn vingers niet laten zien?”
„Wat kan je gebeuren? Zal ze nee zeggen.”
„Zeg maar datje d’r dochter d’r een keertje voor te graze zal nemen.”
„Of haarzelf, ’n Reuzc-nekijve.”
Dat is vies voor Eli, van haarzelf. De gedachte omtrent de dochter doet hem nog idyllisch aan; hij denkt cr niet bij aan direkte lijfelijkheid. De vrouw te willen bezitten voelt hij als een donkere zwoelheid, omvelriekendheid, enkel dierdaad en bijna misdaad. Hij begrijpt, maar het is ver af, en het is een kleine, licht beangstigende verontreiniging, die het lekkers, dat zij na een poos naar buiten brengen, een beetje tot bedreigde genieting maakt. Nu hebben zij aan vruchten en zoetigheid hun feestelijke lust gehad; het heeft de wandeling, na het weinige, dat het lichaam thuis was toegewezen, haar kaalheid ontno-
252