„Genoeg hoor! mooi en prachtig! als j’t maar weet: naar Sjoel op sjabbes-morgen, want ’s middags en ’s avonds gaat er ook al geeneen van die groote houriekem van me mee; en niet naar Sjoel; niks op de boterham. Ik wil ’t hebben, verstaan ? — De groote zoura’s (variatie op zonen) niet in sjoel, geen ponem van ze, geen verschijning van ze; ik schaam me voor de menschen. Geen één keer op Sjabbes Kodesj Borrege danken voor de menoege-dag, dat zijn bij mijn zijn dat beesten-manieren; ik verdom het, ik zal er voor zorgen.”
Hij lijdt een vreeselijke nederlaag, want zij zijn los en zij gelooven niet in zijn overtuigdheid, als hij zoo spreekt. Hartog, met zijn hoofd naar voren, krabbelt met zijn voeten achterwaarts in het oude stukje vloerkleed en roept: méée-mèè-èe! boè-oè, boè-oè!”, om Jankef zijn beest te toonen. En daar ze allen een beetje binnensmonds nog stikken van het lachen, kijken ze om naar vader, en stuiven gierend uiteen en het huis uit, eer zijn woede hen bereiken zal. Jankef is opgesprongen: „Potverdomme!” roept hij verontwaardigd, maar hij gaat gauw weer in zijn rieten leunstoel terug, waar hij achter de ruiten hen gierend langs ziet springen; Hartog, Mau, Eli, Hanna, Lea, Jetje. Zij staan nu buiten in de straat, en wat zullen zij gaan doen? De meisjes worden meedoogenloos teruggestuurd; Eli mag mee, de groote rivierbrug over, naar buiten, langs de villa-uitbouwen, tusschen het koren, de kleine dorpjes in. Heerlijk vreemd is het, andere dorpjes met de reuzen door te loopen, en daar de kleine werelden te zien die zij vooral gaan bekijken: de mooie welstandshuizen met de rijke bloemenhoven rondom, in den stil suizenden bloeienden ochtend nog. Hem is het een feest, vooral in het begin, als er nog geen moeiheid trekt uit de slecht-passende, boven- en on-derkleeren; als er nog vrede is, als hij nog niet door-schreid van angst en verslagenheid heeft gestaan, wanneer de jongens samen ruzie krijgen en soms vechten, dat er één hard wegloopt en hij met den ander boordevol verdriet achterblijft en naar huis terugsjokt. Of wanneer zij, een beetje schuldig, door uittartenden bluf, of ook wel heel en al argeloos, door een overmacht van boerenjongens
2.H