DE BUS VAN PANDORA
En als het afleveren nu, juist vaak in het volst van den zomer, wanneer er weinig vodden worden opgehaald omdat bijna niemand van „den rijkdom” verhuist, voor Vader zoo weinig opbrengt dat de jongens er niets durven afnemen? Op Sabbath-ochtend komen zij om tien uit de Sjoel; dan moet er boterham gegeten; halfelf staan allen weer in de kamer en er moet iets van den Sjabbes gemaakt worden: samen buiten gaan wandelen, zoolang er nog zooveel kinderen thuis zijn, lijkt de eenige, altijd weer aangepakte uitkomst.
Vader steekt een scherp standje naar Hartog of naar Mau, die zich niet in Sjoel vertoond heeft: „Ik heb niks willen zeggen, eer de boterham op was, maar het gebeurt niet weer, versta je wel ? als er niet in sjoel gekomen wordt, hcelemaal niet, op Sjabbes-morgen, dan komt er geen kruimel van het een of andere dat er mocht wezen, komt er op de boterham, begrepen?”
„Ik kwam Venema de sjikkerkop tegen, die hield me aan de praat, toen werd ’t te laat, ik kan toch niet na de haf-toure meer binnenkomen?”
„Ja, of je nou de sjikkerkop of de suikerkop bent tegengekomen, dat is mij net precies eender.”
„Of de Sjiksekop,” zegt Jetje.
Allen lachen smakelijk om naar haar, die in den scheeven mondhoek van haar ietwat groezelige, maar toch prach-tig-oostersch citroenige snuitje, waardeglanszwarteoogen en de lange wimpers in bloeien, waar het fijne donkere haar als een stille plant op rust, waar de kleine lieve ooren aan luisteren, nog iets van de sleepend-geestige gevatheid heeft hangen, die allen altijd een stillen eerbied bewijzen omdat zij zoo sober is. Maar Jankef zit op het stokpaardje van de traditie en dan valt het hem zelfs moeilijk te lachen; en door de grapjes der anderen heen die nu losgemaakt zijn en als velerlei bloesempjes door de kamer vliegen: „Enkel maar de kop, da’s ook niet veel,” (Mau).
„Hij kwam vreetzemaar tegen, despinnekop,niet?” (Lea ouwelijk hoonend); daardoorheen, snijdtjankefzijn ver-toorndheid:
250