„Zeg maar, ik zal sterven dat ik niks zeggen zal. Hoor!” Mau, hartstochtelijk voor Hartog heen: „Ik zal doodvallen dat ik niks zeggen zal.”
Hartog: „Zeg jij maar ik zal sterven.”
Eli, braaf: „Ik zal doodvallen en ik zal sterven dat ik niks zeggen zal.” Pas als hij hen beiden bij de neergezette kar aan de geruchtlooze buitengracht krom ziet staan en de stille lucht vol hoort schateren van het lachen, begrijpt hij hoe zijn gehoorzaamheid hun dwaasheid scherp heeft blootgelegd, en lacht ook hij mee, zijn eigen woorden na.
’s Morgens krijgt Hanna van zijn portie mee; hij deelt met haar het dubbeltje, want zij hebben ’s ochtends en vooral ’s middags bij het naar school gaan een tecdere verhouding tot in het sentimenteelc, en betwisten elkaar altijd het kleinste deel van het lekkers. Maar Hanna is hierin ongevaarlijk; zij krijgt van de meeste diefstallen direct haar aandeel; en Eli weet het immers: alle heftige waarschuwingen en dreigementen van de jongens zijn maar „Poerem”.
249