„Gib es Jeled eppes?” (geef de kleine wat?)
„Bijs basj?” (twee stuiver?)
„Jou, is kenik,” knoeit Mau; wat: „ja, is genoeg,” moet beteekenen, maar zoo armzalig onmachtig klinkt, dat beiden om hun stuntelige grootdoen in een lach schieten, zelfs met een zijdelingschen blik naar Eli. Zij weten heel goed dat hij alles verstaat; zijn te lang bewaarde stille rol van het zich gepast klein houdende kind doet hen nu nog verder lachen.
Het dubbeltje komt uit Hartog’s vestzak, en Eli ziet verlokkingen van zakjes zuurtjes, voor op school.
Want dit is geld voor zuurtjes en niet centen voor gewoon lekkers van het blad. Dit is een bezit; dit is rijkdom, dit is weelde, echte weelde van de grootc, brutale Gap. Van de groote Kenijwe, die gevaarlijk, scheef feest is; maar die opstandig iets naderbij rukt, dat niet voor hen bestemd scheen.
„Voor morgen hoor! asje naar school gaat,” waarschuwt Mau. „Je smoel hoor!”
„Waargaanwenaartoe,”vraagtEli,naeenzakelijkenknik. „Dat zal je wel zien, goochempie!”
„Er waas es woul.”
„Oej! we gaan naar een winkel! We krijgen wat!”
„Hij ziet al wat,” schatert Hartog, „hij proeft ze al.” „Krijg ik een spinnekop?”
„Gib ’m aan” (geef’m eentje). Eli ziet Mau met een beetje vriendelijke verwondering aan, en Hartog tuimelt voort van het lachen om die ouwelijke aanstellerij.
„Je houdt je smoel hoor! denk je d’r om?”
Hij nikt.
„Godverdomme, geen woord hoor! ook niet aan Hanna kwijllip hoor! Want die lult altijd godverdomme.”
„Ik zeg niks hoor” (kalm).
„Ja; ik zeg niks hoor! maar denk d’r om. Je zweert d’r op hoor! Zeg datje d’r op zweert.”
„Ik zweer d’r op dat ik niks zal zeggen. Nou.”
„Pas op, hoor, dat het niet uitkomt! Zeg es: ik zal doodvallen, als ik een woord zal zeggen?”
Hartog duwt Mau op zij. „Jij bent mesjogge!” Tot Eli in de kar:
248