De jongens spreken niet rechtstreeks tot hem, en zij spreken zelfs nadrukkelijk en af en toe iets ingchouden, tot elkaar. Maar zij laten de moeite na, hem er heel en al buiten te houden. Bij de geruchtigheid, die het verbo-dene smakelijk voor hen moet maken; bij de heftigheden tegen elkaar om de regeling van de posten en de bedragjes waarmee misleid zal worden; bij den kinderlijk juichenden bluf waarmee zij, als het plan gereed is, tot elkaar glossen; bij al die opgeblazenheid die met een branderige vleug romantiek zooveel voor hun vergoeden moet, zou het onmogelijk zijn, Eli onwetend te laten. „Van het gebreid?-bè-je bedonderd? Dat weet vader precies! Hij heeft het gewogen! Toures Mousje ik heb het zelfgezien; an de hulster!”
„Nou! Jij! de Bcers! het komt toch nooit uit!”
„Je kan toch beter een kilo koper en een paar kilo wit en ijzer minder zetten? Gek!”
„Jij maakt moorden met je koper. Vader gaat...” „Schreeuw niet zoo! Der is dak op het huis!” (Dat is Eli, dat dak. Hij kijkt braaf langs hen heen: hij zal nog vijf minuten voor achterlijk kind moeten spelen; tot deheeren klaar zijn, en hij mag toonen te weten dat er een dubbeltje voor hem gegapt is).
„Vader gaat” (Mau zachter) „hij gaat naar ze toe om te hooren van het koper.”
„Hij gaat, ja; met z’n mond.”
„Kimmel heitjes de man is toch genoeg?”
„Kimmel heitjes? we hebben kimmel heitjes schuld bij het zwijn, van Sjabbes; peren en appels en chocola!” „Voor vijftien stuiver hebben we weggenascht? Sjabbe-zemiddag?”
Zij lachen nu beiden om de rijpe peren en de opwekkende chocola uit dien geurigen winkel, die dien ontzenuwenden kalen Sabbathmiddag levend hebben moeten maken. Eli staat met hen in een verfrisschende herinnering van het genot, want hij kent dien troost van die kille Zaterdagen als de maaltijd thuis op is, en zij hangen, in hun sjabbeskleeren, en in de honderd verboden van loo-pen, rijden, snijden, rooken, als poppen verstijfd, en er is maar écn redding; heimelijk zondigen, en het sprookje
246