Jankef roept God aan en smeekt zijn beul bij de schaal om verklaring; een grimlach als van een kalm zuigend blocdbeest, luttele woorden van sarcasme waarin een duivelsch pleizicr leeft om het leed van zijn weerloos slachtoffer, is al wat hij ten antwoord krijgt. En Eli loopt naast zijn vader en de leege kar, eer er de geringste bevrediging zelfs maar van verzet is gekomen: in de stilte van den achtersingel schuift Jankef, rood en hittig van opwindende verbittering, zijn wagen voort, terwijl hij tot het zwijgende, bedroefde kind zijn machtelooze woede uitbrandt: „Hoe sterven ze niet voor je oogen; zulke vuile gauwdieven; als ze je kleeren en je haren en je oogen van je afgestolen hebben, dan nemen ze nog je vel, dat scheuren ze de arme man nog zoo van zijn lijf af en vreten het op waar je levend bij staat. Zulke vijanden van God zijn het; hoe worden ze niet gefitst en gebrandmerkt! dat er geen straf van God is voor zulke honden; dat is voor een mensch onbegrijpelijk; ja, jij kunt het niet zien, jij weet er niets van af; maar het zijn geen men-schen; het zijn compleet verscheurende roofgedierten, die je zoo je bloed zoo met van die grootc teugen en slokken regelrecht uitje aderen wegslurpen, dat zijn het. Dat is niet te gelooven; als je het in een roo-man leest, dan is het niet te gelooven, zoo liederlijk is het, datje staat te branden, en je d’r toch niet bij kunt. Die vuile doorgefie-eneerde kunsten, die bestaan alleen in een roo-man, ja. Gaat met een paar smerige centen naar huis, voor al je moeite en je darren, met nog niet de helft van watje toekomt. Het is een pijn. Een pijn is het in je ingewanden.” En zuchtend:
„Nou, ga maar een reep sjokela koopen daar in dat stin-keltje, hier is een stuiver, dan heb je wat; want voor jou is d’r toch aan al die vuiligheid anders hcelemaal niks an; dan ga je heelemaal voor niks anders as voor miserabe-ligheid mee. Hier. Ook ’n zorg, nog een stuiver minder.” Die laatste woorden verkillen een oogenblik het plezier voor Eli. Er is een zweem van aarzeling in de armstrek-king van het kind, een vage inslag van verdoffing in den blik, dien hij op Jankef’s stuiver slaat.
„Nou ja,” zegt Jankef, „je kunt ’m wel nemen ? — ’t sjadt
242