AFLEVEREN
Szomers, vooral in de vacantie, wanneer het tot zijn uitstapjes gerekend wordt, mag hij mee, met Vader of met de jongens, vodden en oud ijzer afleveren bij de rijke opkoopers. Hun groote oude loodsen staan buiten de stad, de poort uit, onder Bransdorp, een eind het vlakke land in, achter een stil zijpad, in een doodloopen-den dicht begroeiden hoek. Groote oude boomen, kolossale peppels en oude gescheurde eiken mompelen er, in den wind van zee, koel-vertrouwde morrende gesprekken met de gammele houten wanden, de dak-brokken vol klitten mos en nesten, en de aamechtige rompen van de stapelingen roestig draad-ijzer. Vanaf de poort, een glooi-enden singel af langs een uiterste stille buitengracht; de kar, hoogopgeladen, bij den boom voor het dompen om-laaggedrukt, glijdt daar plotseling zacht over den licht-krakenden grintweg; in de vermoeide middagstilte van het doodloopendc zijpad piepen daar de droge veeren van den wagen alsof een nachtvogel riep, over den beslagen spiegel van het bijna doodstaande water. Zij komen niet veel tegen: een melkkarrctje rijdt kittig licht langs hun moeizaamheid; een groetklankje als een slin-gerteekentje in de lucht; een plonsje van een kikker; een koe schuifelt zijn kauwenden kop langs den slootkant en kijkt met zijn ongeneeselijk-dommen blik weldra weer van hen af en stoot plotseling een paar dwaze trompet-geluiden uit zijn romp, als niesende roepen vol grenzen-looze verbazing. Vader maakt een stille slagers-opmer-king over het beest en verbindt de doofgloeide schemering van het huis met deze groene ruimte, waarin genezing, maar ook tastbare neerslag van triestigheid. Er is een afspraak met een van de gebroeders Beer, dat zij ginds op tijd zullen zijn; maar de gebroeders Beer weten van taktiek tegenover de kleintjes: zij zijn maar eenmaal in een heel jaar op tijd: als Jankef, moegesard van hun stelen, knibbelen en voor den gek houden, zich bezworen heeft, hen nooit meer een ons „sgoure” te verkoopen en zijn vrachten bij een gehaten concurrent slijt. Als zij hem dan een paar maanden missen, waarin zij hem niet groe-
240