gaat, staat daar Jole. En Eli voelt zich beangst bij den aanblik van dien machtigen en driesten bezitter van dat alles; hij voelt zich beangst, verslagen, vernederd, en berooid. In dien tuimel van gedachten, het hoofd naar de keien, loopt hij bijna botsend tegen zijn doodsvijand op: de jongen met den Keeshond. De jongen met den Keeshond ziet hij eiken Woensdagmiddag op het groote plein, als hij uit Jodenschool komt; totnogtoe heeft hij de poging van den jongen om den hond tegen hem op te hitsen, met doodsangsten ontloopen. Een hond is iets vreeselijks voor hem; een Keeshond is het ergste van wat hond is. En nu loopt hij bijna tegen het scherpe lage witte beest aan, dat de jongen aan een touwtje houdt: hond en jongen ondergaan gelijkelijk den aantrekkenden angst en de vreemde bewogenheid van het Jodenkind. Het Jodenkind maakt zulk een opvallenden sprong van den hond af terug, dat het beest toespringt, en hem aanblaft. Eli schreeuwt een gil, en wijkt terug; de jongen, groo-ter dan hij, een boersch arbeiders-kind, laat dadelijk het touwtjevieren en sist naar den hond. Eli merkt het met verbittering nog snel, dat zoo’n jongen, tegen hem, altijd zoo onmiddellijk weet wat hij doen moet; hij voelt het als een ongeluk over zich komen, en hij weet heel de oorzaak: zijn bewogen toestand als prikkel op den onbewusten knaap, en diens aansluiting bij de gevoeligheid van het beest. Beiden reageeren zij gewelddadig op de nerveuze bewegingen van een hoogeren levensstaat, gewelddadig daar zij niet anders kunnen; want beider nieuwsgierigheid slaat naar het vreemde, wil het vreemde krenken in de meening dat het zich zoo voller in zijn geheimenis voor hen ontplooien zal; in die houding wendt de jongen de achterlijke bruutheid aan van zijn beest. Dat alles weet Eli; hij weet dat jongen en hond nu drijven en bijten naar zijn droom om Jole’s bruid; naar het isolement van zijn hunkering; naar de dwaze, tollende tui-melstappen van het uit zijn evenwicht gestooten, vervoerde lichaam. En hij schreeuwt, voor den puntigen bek met grijnstanden van het beest bevreesd, luidkeels naar den jongen, alsof hij in doodsgevaar staat: „Hou ’m bij je hoor! je vuile rothond!”
236