den tweeden keer langs het huis gaat, staat zij er. Ja, dat moet zij zijn, er is geen twijfel. Zijn hart schijnt ineen te krimpen; hij voelt zijn blik snel-verlegen schieten, en gretig meten: Rossig-blond, blank, groot. Onder den Boom, bij de bank. Iets van een geluks-glimlach om den mond en bij de oogen. Ja. Glimlacht zij naar hem? Nee, zij glimlacht niet. Maar hij weet, dat dit gezicht, naar hem zou kunnen glimlachen. En hoe! vriendelijk, schalks, met iets van een geurige vrucht, iets guitigs, als de smaak van de Besoomiem, de kruiden die men op Zaterdagavond ruikt bij het Hafdole maken. Verrukkelijk is zij, zoo ziet hij bij het langs-loopen, het langs-tuimelen, het langsrennen in een vaart, die hem doet vergeten de voeten op te tillen zoodat hij ze tegen de groote keien stoot en inzakt. Zij staat in den lichtglans van Vader’s verhaal: een blauw, dun kleed, rossig haar, en het blank daartusschen van het gezicht krijgt een tint van melk-zacht paars, overmoederlijk. In het voorbijgaan heeft zij hem gezien; zij kent hem niet, herkent ook niets in hem. Hij krijgt niets. Werelden vol van het verlangde zou zij hem kunnen geven; maar zij is niet op hem ingesteld, zij ziet hem niet, en hij is al weer voort... zoo dichtbij de heerlijkheid is het of de voeten hem haastig wegdragen, want hij vraagt te veel. En bliksemsnel voltrekt zich een beeld waarvan hij bijna schrikt: die armen om zijn hals, die wang tegen de zijne, een overweldiging van rijpen levens-bloesemgeur, een zinking en een stijging; en het staan in het leven, hoog en stil, zooals soms, een vlieger staat, hoog en stil, trillend, en toch vast, boven al het andere. Liefelijke namen wemelen in zijn hoofd: Rebekka aan de bron, en Esther, en Roos van Saron, en Bloem van Israël. Haar ongekende herkomst maakt haar nog mooier, door de frischheid van het nieuwe dat zij brengt: een nieuw, glans-nieuw geluk, van zach-ten wind langs rijpe rozen, maar met een geur daaraan van bereikbaarheid, van intimiteit; nieuw, maar gekend; vreemd maar met een grondslag van het eigene. Als hij terugloopt gaat zij naar binnen. Als hij, aan het eind van de straat, omkeert, rondblikkend alsof heel de wereld hem op zijn heimelijk doel betrapt, en weer langs het huis
235