noodig, en maar niet op Groote Verzoendag gekomen; wat zou dat weer even prachtig geweest zijn. En hij houdt hem in de gaten, Eli, aan Jole. Jole koopt, en hij slacht, en hij gaat netjes uit wandelen, heen en weer de hoofdstraat over op Zaterdag, en op Zondagmiddag, als hij klaar is. Tot Jankef met de boodschap thuiskomt, stil-stralend rondverteld, en Eli, in de achterhoede van den kring, zijn fijne feestbewogenheid aan Jole beleeft: „Jole!” aldus begint Jankef, „Jole! de stijve, eigengereide, ongenaakbare Jole! Ja! zoowaar als ik leef!”
„Wat van Jole.”
„Jankef, hoe staat het leven? —Jole! tegen mij!”
„Bést, jonge. Met jou ook? Je ziet er best uit; ja, je hoeft anders niet te denken dat ik je niet zie, Jole — al zegje niet veel, daarom kijk ik nog wel uit mien oogen! — Nou, afijn, lachen. Hè, hè, hoho! Jankef, dat weet ik wel.... En ga nou’s mee naar binnen, want dan wou ik je es wat laten zien.”
„Als ’t wat moois is, Jole.”
,,’t Is wat moois, za’k barsten, Jankef, ’t is wat moois.” „En wat is ’t dan?” Vader verschuift in zijn stoel en speelt Jole dichter naar hen toe:
„Mien kalle, Jankef! zal ’k starven, mien kalle wou ’kje laten zien! jc bent toch mijn beste neef die ik heb! en je hebt goeie oogen in je hoofd, dat weet ik toch wel! Nou wou ik je zoo graag mien kalle laten zien.”
Allen, moeder en alle groote kinderen: „Jaaaa...” van bijna ongeloovige verwondering.
En Jankef knikt: „Waarachtig! Ja! Een kalle!” roept hij. „Jaaa...”
„Ja! Ja!” knikt Jankef verrukt; en kijk, wat is dat? hij knikt ook naar Eli, wiens horenden en dringenden blik hij niet ontkomen kan, en onbewust beantwoordt. — „Ja! Ja! Een kalle! De kalle van Jole! — En zoowaar als ik leef, een goeie! Ik kom binnen, staat me een bééld van een meid staat me op te wachten, een pikzwarte rooie, groote knappe meid ? met een paar pracht van vriendelijke, menschelijke vriendelijke oogen ? ja, die een mensch vriendelijk tegemoet kijken of ze zeggen willen: Kóm maar! je hoeft geen kompelementen te maken, je kunt me
231