JOLE EN ZIJN BRUID
Jole, Jankef’s neef, is bijna een vreemde voor Eli, maar een dien hij nooit uit het oog verliest. Een prachtige langejood, sensueel-zwarte jonge ringbaard, gitzwarte oogen, als van een plaat (Dürer of Holbein), denkt hij later. Beestenzoeker, kalverenspeurder, overdag; !s a-vonds en op feestdagen met steeds denzelfden bokkigen vrijgezel, Dovidje Koopmans, veel ouder, wandelend over de hoofdstraat en de officiëele wandelwegen buiten de stad, in een soort hooghartigheid, een stroefheid, voor kinderen in elk geval ongenaakbaar. „De eeuwige vrijgezel,” zegt Jankef, en al lijkt hij Eli ontzaglijk groot, hij weet wel dat vader altijd overdrijft; Jole is nog jong: het is alleen maar de stroefheid, de onmogelijkheid om zich zoo gauw al aan het gevoelsleven van liefde en huwelijk over te geven, die Jankef met die woorden in hem teeke-nen wil.
Soms, opeens, ziet Eli Jole op Zaterdagochtend in Sjoel verschijnen; hij staat in de bank van zijn ouden, bijna altijd dronken vader, en hij doet in den dienst zoo’n beetje mee. Dat is een vreemde verteedering voor Eli; waarom komt hij onverwachts zijn ijs hier een beetje laten smelten? Want ijs is het voor Eli, waarin Jole, buiten alles van het gezelschapsleven der Kille, met dien bokkigen Dovidje keurig wandelend, leeft: nooit ergens op visite, nooit tot hem een vriendelijk woord en geen groet zelfs. En toch weet hij, Eli, dat liet bij Jole hoort, dat verschijnen in Sjoel, af en toe; toch weet hij in zijn droomend, gravend, denkend hart, dat niets toevallig is. Het is een kleine huivering in het leven van dien Jole-mensch, die een onderdeel moet zijn van een heel stel huiveringen, en daarom houdt hij hem in de gaten, Jole. Op een feestdag, dat is ook verteederend voor Eli, als hij dan Jole ziet staan, met zijn git-zwarten baard; en uit zijn mooien barschen mond zingt het mee met de anderen. Niet op Grooten Verzoendag, want dan is er iedereen; het geeft hem, Jole, eerder als aan iedereen die anders nooit komt, een beetje lafheid, en heimelijk denkt Eli: was Jole nou maar op Jomtef wel, zoo niet volstrekt
230