Alles is goed geweest. Niets heeft gestoord. Het vreeselijke is weggebleven. De deuren zijn niet plotseling opengesprongen, de beestachtige vijanden zijn niet binnen komen dringen, om hen neer te steken. Eens misschien zou de wereld het toch doen: hij kan niets vergeten, ook niet als het vreugde is; hij ziet het: Twee oogen vol glans van liefde voor al het levende aan den ecnen kant, en een voortschietend, hardblikkerend mes aan den anderen, kruisen elkanders weg. Het is weer niet gebeurd, en liet is nu goed; hij gaat zonder werkzamen angst naar boven: daar het laat is, heeft hij het geluk, dat de jongens meegaan; en zelfs nog eentje erbij vandaag en morgen: Marcus! Gloeiend en moe, zacht doorgloeid als van een heet bad, loom en zat van leven, slaapt hij in.
5
229