meest bewogen oogenblik van den avond komt voor Eli aan. Hij is de jongste van al deze kinderen, die op een paar getrouwden na, hier allen zitten. En als jongste heeft hij den eigenlijken proloog uit te spreken, die de inleidende vraag is van het kind omtrent de betcekenis van den wonderlijk beladen avond. Hij moet dus voor den dag nu met zijn stem, met de belijdenis van zijn deelneming aan het feest. Ongedekt door het koor der anderen, moet hij het geluid van zijn ontroering boven het midden van de tafel stellen: een on-ontkoombaar oogenblik der naakte overgave van zijn genegenheid en zijn vreugde. Enkele tellen van aarzeling, en hij hoort het tot zich zeggen: „Nou, jonge, het is je beurt.” En een zacht duwtje van Mau, vertrouwelijk in zijn zij: „Toe nou maar!” Hij keelschraapt. Het hoofd omlaag naar zijn Hagada, in een diep gevecht: de schorre, omfloerste stem van een kind, dat ver is van de gedachte aan god of goddelijke wetten, drijft haar omsloten bekentenis van liefde en gclukkigheid in den stillen, opvangenden kring:
„Ma nisjtanno halajlo hazee...”
Waarom verschilt deze nacht — van alle andere nachten. Alle andere nachten: eten wij gezuurd, en ongezuurd. Dezen nacht... enkel ongezuurd.
Alle andere nachten: eten wij allerlei groenten;
Dezen nacht... bittere kruiden.
Alle andere nachten: doopen wij zelfs niet éénmaal in: Dezen nacht... twee maal.
Alle andere nachten: eten wij zittend, of leunend.
Dezen nacht... zitten wij allen: geleund.”
Hij is stil, en ziet vóór zich, de vuist tegen zijn wang. Geen twee tellen later valt Jankef in: de heete damp van ontroering, waarin de stem van den knaap nog na-trilt, kan tusschen de stille hoofden rondom anders niet worden opgelost.
Eli heeft het Hebreeuwsch gelezen, en de vertaling bij gedeelten laten volgen. Jankef antwoordt, in een gevoeligheid van stijl, in een wellevendheid jegens Eli, dit eene stukje in het Hollandsch. In een heerlijken zange-22 7