Hij doet het maar. En lacht. Een heel klein stukje bevrij-ding van lachen. Met een diepen, zachten huiver, en een overwinnend verzet tegen de te zwakke overgave van tranen, lacht hij. De „Orde der Hagada” gaat beginnen. Het is Seider-avond nu. Heelemaal Seider-avond.
Wel is alles heerlijk van den Seider. Maar, daar hij nog gevoelig is voor het moment, daar hij nog toeft bij het onderdeel en bij de leer van de tegenstelling, zijn er oogenblikkcn van overwegende ontroering. Zoo brengt elke inzet een zachten opgang: een strakke spanning van verheffing. Het vrijere rythme van de Lofliederen drijft de vaart der vervoering in hem op, en straks komen er ontspannende, bevrijdende heuvelhoogten van vroolijk-heid, waar zij hun dartele huppellust met breede guitigheid komen uitleven.
Zij krijgen nu elk een stukje selderij in het zoutwater gedoopt, en nadat zij daarover den dankspreuk: „die de Schepper zijt van de aardevrucht”, hebben gezegd, worden ei en gebraden been van den Seiderschotel genomen, en lezen zij, alle handen aan den schotel, luid-op in het Chaldceuwsch:
„Ho lagmo nganjo... dit is het brood der ellende, dat onze voorouders hebben gegeten in het land Egypte.” „Al wie honger heeft, kome en ete.” (Ach, als zij kwamen, denkt Eli; hoe heerlijk).
„Al wie behoeftig is, kome, en viere het Paaschfeest mee.” (Al wie behoeftig is... god, was het zoo!).
„Dit jaar hier. Het komende jaar in het land Israëls.” „Dit jaar nog dienstbaar. Het komende jaar: vrije lieden...”
Vrije lieden: ja! dat is het! Vrij! dat is in een groote, dicht bebloemde weide. In een zachte lucht. Vrije lieden. Allen samen natuurlijk. Allen. Het volgend jaar: dat is natuurlijk niet precies de bedoeling. Maar het beteekent toch dat het eens moet komen, dat het kan komen. Dit jaar nog dienstbaar, nog knechten van het gebrek en het leed. Maar het volgend jaar... het volgend jaar...! „Vrije. Vrije! Vrije,” zingt het. Het zingt. Het zingt door, boven het hoofd, vérder...
Hierop wordt de tweede beker wijn geschonken; en het 226