kunnen zetten, handhaven, gedijen, en uitleven naar altijd nieuwer en machtiger voortbrengen. Dat vraagt zij ook: vriendschap en scherpe schepping, en zachte, vaste,
eindelooze op-torsing van het leven.---Zijcher,
herinnering, is enkel de snik van het hoofd-omwendende smachten: het zalige, duldende voeden van het verlangen. En Sosoun, verrukking, is ook de snik; Sosoun is de snik der directe mogelijkheid van vreugdc-beleving; Sosoun is ook snik, maar toch nog snik van troost. Zemanniem is meer werkelijkheid; het is het Oogenblik dat hem grijpt, en toeroept, onder het schudden aan den boom van den droom, dat de rijpe vruchten onhoorbaar vallen in het heerlijke mengsel van het genot: „Neem! neem! het is het voedsel voor de krachten van straks!” Daar zingt hij het: „Geloofd zijt Gij, Eeuwige...” „Sjemou” zingen weer de anderen.
„Die Israël heiligt... we-ha-zemanniem!” zingt hij nu met een krachtig slot-figuur,... „en de Hoogtij-dagen!” „Omei-ein!” zingen zij gerekt.
En dan zingt hij nog het korte, maar plechtige en blije „Sjé-hé-gé-jónoe”.
„Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God.
Koning der Wereld;
„Die ons in het leven heeft behouden,
En ons heeft bestendigd in het noodige,
En ons dit oogenblik heeft doen bereiken.” „Omei-ein!” weer.
Zij gaan nu allen zitten. De jongste ook. Ook hij die het onmogelijke wil. Beneveld. Een dikke keel. En het hoofd kokend.
Er zijn meer keelschrapingen rondom. Zusje maakt verlegen miene tegen hem. Zij zien hem allen aan. Zij voelen hem allen.
Hij brandt en straalt, stil tusschen hen in.
„Je wijn!” wijzen zij zacht naar hem. „Je mag nou van je wijn drinken.”
Vader ziet hem aan, met beheerschte verlegenheid. Met klem leest hij, vriendelijk-onderscheidend, voor hem op: „Men leunt op den linkerarm, en drinkt het grootste deel des bekers uit.”
225