hij kent het ook van de bruilofts-inzegening: „Koul so-soun we-koul simgo; koul goson we-koul kalo”; „de stem van gejuich en een geluid van vreugde, zoo de stemmen van bruidegom en bruid.” Wijde, geurende landschappen gaan open, met veilige warme zon, oneindig, en stijgend. Hij kan zijn ontroering haast niet meer houden. Jankef zingt nu met klem, alles in een muzikalen recitatief-toon: „feesten en hoogtijdagen tot verlustiging... dezen dag van het feest der ongezuurde brooden, het tijdstip van onze bevrijding, ter herinnering aan den uittocht uit Egypte.” En zij staan allen stil. En het is alsof de kamer zal barsten van liefde en samenviering.
„Ter herinnering”, ja, dat moet er nog net bijkomen, dat woord. „Zijcher”: ter herinnering. Het is het woord dat hem neerwerpt in verliefde mijmering en zaligheid, onttrokken aan al wat vandaag aan schennis en wonding om hem is. Het doet hem neerliggen in smachtend verlangen en biddend ontspinnen van mogelijkheden; want de herinnering is het eenige schoone dat zichtbaar is; de herinnering vervangt nog de toekomst; toekomst is veel vager van aanschouwelijkheid. Al treedt zij op in de voorstelling als herstellende en wrekende belofte: toekomst heeft nog geenerlei gesloten beeld. In deze herinnering lijkt alles althans deel van een sprookje van machtige eenheid, maar van een sprookje dat een verleden werkelijkheid tot grondslag heeft. Het is het sprookje van een volk, honderdduizend als hij, jongens als hij, en heerlijke jonge meisjes, en mannen en vrouwen, vrienden, van zijn kleur, van zijn geest, van zijn stem en blik en aandrift, allen min of meer elkaar begrijpend. Het is het sprookje van de erkenning, uit den tijd dat „zijnen” zijnen! een gaafheid van groep waren, niet oppermachtig misschien, maar dan toch een macht, iets, iets dat zijn eigenheid had in de wereld en niet niets, niet een levende geest, wien geen enkele greep, geen enkele aanvatting van de levens-materie is toebedeeld. Ja, herinnering, Zijcher, is het woord, en Sosoun is het woord, en het woord is Zeman-niem. Herinnering is het woord, dat den smartelijken glans brengt van het verleden dat nabij wil glijden: zinnelijke voorstelling van een erkenning der smachtende
223