„Maak zoo’n kakkie niet; hij éét toch niet? ik zag ’m een heele loop maken, maar al die tijd heeft-ie geen kruimel gebruikt.”
„En zei-je niks?”
„Ikke niet. Alleen toen ik wegging, vroeg ik: gaan jullie naar huis?”
„Wat?” —Jankef lacht nu heerlijk mee; hij kan het niet laten.
„Zal wel allemaal precies zoo wezen asje zegt. Geen letter van waar, natuurlijk.” En als de verhaler protesteert: „Nou, nou, het is goed! het hindert niet, stil maar; als-ie der heelemaal niet geweest is, Marcussie niet en de kin-nem ook niet, is-ie toch aardig.” Vol spot-imitatie van het Amsterdamsche ghetto-accent van de Jodinnetjes die hij daar ontmoet heeft, hoog in zijn keel: „Als de hallef der maar van waar is, is het óók genoeg...” Valsch-zoetig. Zij lachen allen smakelijk; hij heeft altijd succes. En weer is het: „Nou, jonges.” Uren w'ordt er geaarzeld en geleefd, eer een afgesproken daad, niet door de jacht naar voedsel geboden, begonnen wordt. Buiten den noodig-sten arbeid is er geen haast, alles is daar genieting, en moet voor genieting en rust worden uitgebuit: de wereld met haar overmachtigen tegenstand aan den diepsten bevrijdingswil is zoo afmattend, dat geen luiheid breed genoeg, geen uitstel lang genoeg gerekt, geen huppelende aarzeling diep genoeg is van stille herstel-genieting. Maar eindelijk zit hij nu toch stil-voorbereidend in zijn Hagada te lezen. Een enkele tel kijkt hij ernstig rond. Allen zitten, met stille resten van fluistering nog, en elleboogstootjes, en lachjes achter de hand.
Hartog en Mau zijn eigenlijk nog met het na-spel bezig van hun verwensch-wedstrijd: met gebaren en stiekeme woordjes maken zij nu de schaduw af van het gevecht, terwijl de anderen óf zacht lachen óf stille stompjes uitdeden en met half-schertsende armaanvallen dreigen. Hartog wijst met elk van zijn handen naar een slaap, en bijt fluisterend: „scheel”. En Mau antwoordt haastig: „Vijf oogen teveel.” En nog daar bovenop: „Een hoop in je keel. Zesjaar kiespijn je deel.”
„Jij één oog te weinig. En tien jaar van de dunne sjagge-
221