grooter dan die wereldbol die op het stadhuis staat, en net zoo hard; een uurtje maar, en dan vlak boven je ééne oog, dan kan je de Seider ook nog versierd meemaken.” „Is het uit?” vraagt Jetje, die zich allerliefst aanstelt; want de anderen lachen; moeder roept een officieel pro-testwoordje uit de keuken, waarvan niemand notitie neemt, en Jankef luistert, terwijl hij zijn schoenen uittrekt, met ernstig-volgende aandacht naar het woordenspel; hij behoudt zich het recht voor van er een eind aan te maken, zoodra het onvermijdelijke kwaad van de her-sen-oefening tot persoonlijke giftigheid kan gaan gisten. „Jij geen buil, maar je oogen zullen zoo groot worden als twee Seider-schotels,” wenscht Mau, „en je oogharen zullen twaalf strengen sajet wezen, en ze zullen zoo’n beetje de heele tijd maar over je gezicht heenwaaien, zoo als maar heen en weer slingeren, drie jaar achter mekaar, dat ze zoo nou en dan eens in je keel kruipen; dan zal je de trammelant kotsen.” Hartog stikt mee van het lachen. „En jij,” zegt hij, onder een allengs weer zwellend tumult van lachen, schreeuwen en protesteeren, „jij zult niks groots krijgen; jij zult enkel maar klein worden; jij zult enkel maar zóó’n klein pietsie kleiner worden; een klein pietsie kleiner als nou: zoo klein als een rozijn zul je worden, met van die kleine vuile spinneoogies, en zulke kleine vuile gemeene mugge-armpies; zoo, (hij gebaart griezelig met zijn armen op en neer) zoo zullen je insecte-armpies gaan, en zoo zullen je kleine vuile kruiperige zenuwkoorts-beentjes gaan...” („Hoor ’m! Hoor ’m!” — roepen zij er verrukt tusschendoor, en het lachen giert om zijn beeld; Marcus loopt van zijn stoel weg en knijpt zijn tranende oogen dicht van het plezier om de jongens thuis) — „en als je dan zoo’n schoonheid bent geworden, en je wil een uurtje uitgaan, dan zal je voor aankleeding twee flinke dingen krijgen: enkel maar twee bocheltjes net als Willem Kont heeft, één van voren en één van achteren; maar die zullen zoo groot zijn als beddekussens, datje der heelemaal in schuil gaat; datje der mee over de grond sleept. Als je zoover bent dan kom je maar bij mij; dan krijg je waarachtig als god een mooi stokkie van me present, om mee te wandelen.”
219