„Jazeker. Allebei. Het is toch zeker Eerste avond Jomtef?”
Allebei. Hij is stil. Hij is boordevol van gelukkigheid. En daar komt het.
De voorzanger zet in; je weet niet welke van de twee of drie melodieën hij zal inzetten; dat is zijn recht, te kiezen. En er is een lachen in Eli, als hij hem meeneemt in een melodie die hij niet verwacht heeft. Maar bij de eerste woorden weet hij wel, hoe hij moet volgen. En hij volgt! In de massa van het heele gemeente-koor verborgen, galmt hij zijn lust uit, stil-dronken van vreugde, omdat er dan toch iets is, waarin zij heel en al, een kwartier lang, hun samenheid bekennen moeten. Hij ziet verstolen rond, en hij krijgt stille knikjes en verlegen knipoogjes. Kennissen, neven, zijn rauwe warme broers ginds die straks nog stonden te gniffelen, en Marcus, zoo heer-lijk-verlegen omdat hij dit weer uit Amsterdam terugvindt, allen zingen nu mee. En in zijn rug, van boven, dalen de stemmen der vrouwen van de galerij: alles is er, vol en warm en ontroerd en rondom. Stil terugtredend wacht hij, dankbaar voor de groote orde van het samenspel, wanneer eenmaal in het laatste Adoun Oulom, de voorzanger een intermezzo-solo heeft. Het Adoun Oulom is de aanvang van elk ochtendgebed; en dit juist is voor Eli het vervoerende, dat dit verheerlijkings-gedicht, dat eiken nuchteren dag geluidloos gezegd wordt en zoovele malen afgebrabbeld, hier plotseling, als de kroning der belijdenis van allen dag, wordt naar voren gebracht en in vollen luister gezongen:
„Adoun Oulom... Heer der wereld,
Die regeerde,
Eer eenig wezen geschapen was.
Ten tijde dat alles gemaakt wierd Op zijn wensch;
Toen werd zijn naam genoemd;
„Koning”.»
En deze strofe zingt de voorzanger als solo, opdragend, in een stijging van steigerende klanken:
212