zanger met korte opzettelijke trapjes omlaag tot in een diepen uitsteltoon, en dan volgt de inlasch voor den Paaschavond. Als die gezegd is, en gedeeltelijk door den voorzanger herhaald, stijgt de krachtig zingende stem weer plotseling in het sluiten van dit lied:
Geloofd zijt
,,Boroe-oeg atto-o-o-o-o-o Adou-ou nooj ( Gij,Eeuwige, Ha-ma-a-arief Ngaroo-o-o-owie-...m!” I die de avon-
den brengt.
Hier stijgt bij Eli de vreugde. Want de menigte, die ver-zameling is van bckende enkelingen, antwoordt blij met haar fecstelijke uitroepen; en wat wacht hem niet? Twee heerlijke dingen wachten hem: het zijn Jikdal, het lied Jikdal, en dan de Seider-avond thuis. Het Jikdal is het Jomtoflied waarmee zij zullen eindigcn; het wordt geheel gezamcnlijk gczongen, een bclijdenis op den grondslag der levensvreugde an het ras. Dit is zulk een genot voor Eli, dat hij Vader ernaar vraagt wanncer hij twijfelt: ,,wordt Jikdal gezongen, Vader? vanavond?” ,,Of er Jikdal gezongen wordt vanavond?” zegt Jankef schijn-baar verbaasd, ja bijna verontwaardigd, doch in de vol-komen kennis van Eli’s vcrlangen naar de heerlijke ze-kerheid. ,,Jazeker wordt er Jikdal gezongen vanavond. Natuurlijk. Jikdal en dan nog ook zelfs Adoun Oulom.” „Oja?” zegt hij slmv.
21 i