op hem te wezen; jaagt de jonge op, ja omdat ze van-zellef het niet an kan zien dat iemand die een fatsoenlijk plaatsje onder de menschen heeft, dat-ie dat zoo lang-zaam an bij stukjes en brokjes naar de verdommenis werkt, want met janever is het niet te houen wat hij heeft: komt verleden week slingerend, ja slingerend! in Sjoel; en de katsowem (slagers) vertellen fluisterend dat-ie beeft als-ie de sjegiete doet, en dat zijn mes gewoonweg slingert met zigzaggetjes heen en weer. Is een bedroefde geschie-denis, je hart doet je zeer in je lijf as je denkt wat er van komen moet. Want Klaare die blijft daar maar zitten jagen. Wat ze dan moet? Ja, wat moet je daar van zeg-gen? AIs ze’m laat gaan, loopt-ie weg; maar dan komt-ie misschien nog ja ergens anders terecht, gottsje (desnoods) in een beetje minder als nou. Maar zoo wordt-ie heelemaal stapelgek; en zij blijft maar hitsen en jagen net zoolang tot ie zich ophangt. Ja ophangt! onthou wat ik zeg!”, poogt Jankef het lot met overdrijving te be-zweren.
Hij is het, die den Paaschavond inzet. En Eli voelt, na al die gesprekken over hem, iets vreemds om hem heen wol-ken, iets dat hem wegdrijft en de behoefte wekt hem dichterbij te trckken; en dat het genot waarmce hij naar hem luistert, verdiept, en verscherpt, en toch wijkend maakt. Met zijn prachtige, dunne sterke stem, waarbij Eli de ademwolkjes uit zijn zwart-ombaarden mond vindt hooren omdat zij hem zoo aan het bijbelsch-priesterlijke doen denken, zingt hij, oome Louis, uit zijn geel en blauw gestreepte rug van het tallis (bidkleed), onder zijn hoogen glans-hoed, zijn aanhef blij-eerbiedig omhoog, zacht zwellend in de stilte:
209