Jankef's jongste

Titel
Jankef's jongste

Jaar
1930

Pagina's
436



pakje; hij knipoogt af en toe naar Eli; is het ook eventjes een leventje zoo, met een broer „over” uit Amsterdam die thuis Paasch komt vieren, en daar naast vader, op een soort eereplaats staat, als een echte meneer, en die toch lekkere stiekume lachgroetjes naar je geeft van den broer? O, zoo; véél meer lijkt er toch zeker nu niet te verlangen, want hier, in de Sjoel, hoef je maar zoo je hand uit te steken en te bewegen, dan sla je zoo in de zacht-vaste lucht van het geluk. En daarin is alles gelijk. Wantje kunt met je hand rondom in die lucht slaan, of je kunt op het bruinglanzende gelakte hek van het Al-memmor slaan, of op het gezicht van Meneer Meijer of in dat zwarte van Oome Louis waar dadelijk de muziek uit zal breken, of op dat zachte van Marcus met zijn malle mesjoggene snorretje dat hij daar in Amsterdam op zijn bovenlipje heeft gefokt; of van vader of van Mau, Hartog, Ezra, of, boven, op de wangen van tante Martha of zelfs van de dolle gloeiende halve gare tante Klaare, of Jochempie Peercboom of Abrammetje Kalf: het geeft niet; je slaat toch overal in hetzelfde geluk. De dingen zijn niet anders: de groene sitsen gordijnen hangen tegen de witte muren, extra wit, want alles heeft een beurt gehad van waar ben je me; tegen de prachtige pats-vlakkcn van witte muren om in te bijten, hangen de groene gordijnen ééns zoo lang uit als anders, mal-lang, als uitgetrokken gezichten van verbazing, van stille verbazing, en daar binnen in zit dan weer het geluk; het zijn gezichten die zeggen: je moet ze maar proeven; dat is allemaal maar zoo, alsof het zoo maar niks is. Alle dingen staan erin, in het geluk, en doen erin mee: het Aroun Hakoudesj, de Heilige arkekast, ginds tegen den achterwand, de breed-uitgebouwde bruine kast met zijn opgelegde rozetten in halve cirkelbogen. Die rozetten die hem altijd als oogen aankijken, lijken nu ook pienter te staren in dat reusachtige bruine vlak eromheen; zoo alsof zij zeggen: lui jullie maar, ik ben er ook nog; kom morgen maar ’s kijken, dan komen ze bij mij: van binnen moet je wezen, maar ik heb de tijd; en zoo van buiten, kan ik toch zeker ook nog wel meedoen niet? O, zoo! En de doffe koperen kroon! die uit het midden van het zoldcr-

207

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.