OOME LOUIS ZINGT
Het is de Sjoel, de Synagoge van een steeds verarmde Joodsche gemeente, die beter dagen heeft gekend. Haar toestand is als geknipt om ze bij hem bemind te maken. Leven van stemming op de, aan haar werkelijke plaats in de wereld evenwichtige, gezonde basis van soberheid, en zelfs van tekort. Iets van de frisch-heid van bij hem thuis; een groote, „nette” kamer van bij hem thuis, natuurlijk beter verzorgd, met solieder kwaliteiten, en niet, hoe knap ook, uit den „handel” gehaald. Muren en plafond bijna altijd helder wit, groene sitsen gordijnen voor de hooge ramen, het geel en bruin van banken en Biemah en Heilige Arke glanzend gewreven, en knappe loopers en tapijtlapjes in de doorgangen en op het Almemmor. Een groote, koperen kroon, „een pracht?” zegt zijn vader, uit den goeien tijd, boven het Alemmor, de met een hek ombouwde tribune voor den Voorzanger met zijn helper; en uit de muren bij de ramen armlich-ten, alles zachte gas-lampen, uit porceleincn kaarsvor-men. Nooit benauwd, altijd frisch, want de ruimte te royaal voor zoo weinig menschen; geen enkele aan de mannelijke uitleving zich opdringende geur dan de di-rekt-vrouwelijke: een verrukkelijke droppel eau de cologne van de galerij: verteedering, omhelzing en overgave van het zusterlijk-bekende. Deze laatste werkzaamheid blijft buiten den kring van Eli’s voorstelling; het beeld vertoont hoogstens de verteederende overbuiging van een welriekende vrouwengestalte; hij ondergaat het met een diep-verblijdende vaagheid, zinnelijk, doch met een zinnelijkheid over het levensgebied heengeslagen, vast en verdeeld in een reeds langzaam zich scheppende orde.
De Sjoel-bevolking, meest arme kleinburgertjes, en meest in hun sociaal inzicht bekrompen doch levendig-gevoe-lige Joodjes, die mannetjes, Eli stuk voor stuk bekend, en de weinige vrouwen en meisjes boven op de met een hek onzichtbaar gemaakte galerij, zij allen, en de Gazzan met zijn pittige voordracht, en de Koster, Pedel of Sjam-
205