de gaaskastjes aan de boter, bij de groote bloote armen van de boerin en haar beklemmende vriendelijkheid. Vóór hen staat de bevrediging van dat alles, het volle gevoel van wakker zijn, vroeg in den dag, die hen op gaat zuigen, in zijn licht, in zijn eischen van bezigheid die zonder moeite lijken voor die dansende kracht van de jeugd. Vochtig is alles rondom; de huiden jeuken, de kleeren kriewelen tegen het lichaam. Maar de zon begint te warmen, pakt hen, neemt hen in haarkoestcring, droogt hen, reinigt hen tot den prikkel van een gezonden honger. Daar, onvergetelijk voor Eli, midden in de wei, gaan zij met hun vieren zingen, eerst zacht inzettend, dan schallend, tegen het licht in, tusschen de eerste meizoentjes en boterbloemen die het nog harde groen van het gras op allerlei verrassende plekjes verzachten en liefelijk doen zijn. Het is hun mooiste lied van school, en het wordt aan muziek en woorden hier werkelijkheid voor hem; de dankbaarheid om den lust van de drie anderen, voor wie het immers al herinnering is geworden, doet hem, als nooit, zich volledig, schallend en open bij hen aansluiten. Vier kinderen zijn zij nu: drie groote en een kleinere, en met hun vieren kinderen zingen zij, in de stille ochtend-vroegte, hun plechtig schoollied de ruimte van hun eigen weiden in. Vanochtend zijn het hun eigen weiden, waar zij met hun voeten zacht in voortloopen naar huis toe:
„Heerlijk staat de zon te pralen;
Heengegaan is weer de nacht;
Heel de schepping staat te stralen In haar schoonste morgenpracht.
Bloemen tooien met haar kleuren Dart’lend, stréélend ons gezicht.
Heel het aardrijk ligt te geuren,
Schitterend in het morgenlicht,
Schitterend in het mörgen-licht!”
Zooiets kun je niemand vragen, zelfs zulke broers niet, als hier naast hem loopen: Maar zou het dit nu zijn misschien? Geluk?
200