voorjaarsbloemen, boterbloemen en madeliefjes, op het bultige en kuilende wijd-groenende land, met zijn glanzende slootjes en zijn vriendelijke kamvormige hekken. Alles klein, maar toegenegen, en dan de groote lucht daarboven: dat is alle mogelijkheden.
De lichamen, doorwarmd bij den haard, rekken zich in den dag, zat, tevreden en krachtig, en het nabije wenkt zonder grijns.
Het lijkt weer eens mogelijk, een beetje gelukkig te zijn, en in de vreugde van een, wie weet — zich misschien beterende wereld, vriendschappelijk en met een beetje warme liefde te bestaan.
Nietwaar? men kan het niet weten; alles in de wereld hoeft nog niet zoo smartelijk te blijven als het nu is. En elk spint aan het kleurige opzetje van de eigen verlangens, doch met een basis van vreugdige gemeenschappelijkheid, in dit uur.
Het zijn die oogenblikken dat één het voorstel doet tot een gezamenlijk gokje, een loterijbriefje voor allen samen, om allen samen binnen te komen. Het onrecht van leed en ontbering met samenkracht weggeschoven, en een klein, soliede, gelukkig verdergaan samen.
Het zijn die oogenblikken waarin de Vreugde in haar kostelijkst gewaad, zich voor de ramen van hun levens-woningen vertoont, en een enkelen lieven glimlach, en een enkelen vollen kus bewogen naar binnen zendt, opdat zij zullen toesnellen om haar te omarmen, haar geur diep inademend, om dien te bewaren en niet meer los te laten.
Met Hartog, Mau en Ezra, blijft Eli achter het kleine leger drukke praters. In de optrekkende zon van de allervroegste lente, in den dauwnevel over de groote weiden, drukken hun voeten het zachte, vochtige gras. Langs de koeien, over de hekken, mag hij, met de drie groote broers, veilig, in het openbreken van een helderen, rijken dag. Achter hen ligt de echtheid van het werk: adem-damp van de beesten, de vreemde klank van de bocren-en boerinnen-stemmen, het geratel van de karnmolens, het bukken onder de schoone witte poortjes van de kelders, en daar, in die vochtige melklucht, de plichtjes bij
199