nog niét zoo min, het is mijn nog best meegevallen, zoo-als ze dat voor mekaar hebben gekregen.”
„Netjes hoor.”
„Niet?”
Oome Louis zegt: „Eén fout hebben ze gemaakt.” Terwijl hij met een knik stil naar Eli achter zich wijst: „Ze hadden meer voor de kinderen moeten doen. Als men de grooten feest laat vieren, moet men de springers niet vergeten. Hadt jij ook wel niet ’s feest willen hebben ? ’s Middags in de zaal? die vuile lui die nemen het maar hè? en zullie hebben niks gehad!”
„Heb jullie dan geen feest op school gehad?”
„Ja,” zegt Louis, „feest op school, een koppie chokola met een vierduits koekic hebben ze gekregen; vèt zijn ze daarvan thuisgekommen, niet jonge?”
„Ik heb gehoord,” roept de groote zware Moos Leef-mans, de oudste jongen van vaders broer, „dat het een mesjoggene boel moet geweest zijn op Jiddische school, niet? De gazzen moet stapel geweest zijn, niet? met zijn verhaal over de Mekille (de rol Esther) niet?”
Zij laten Eli vertellen: meneer Meijer deed het verhaal van Mordechai, Esther, Haman en Ahasverus als elk jaar, op school, den heden feestelijken middag. En toen het zoover was dat Mordechai op ’s Konings mooiste paard door Susan zou rijden als belooning voor het redden van ’s Konings leven, toen had meneer Meijer de jongens langs gekeken en er twee naar voren laten komen; Izak Leefmans moest op handen en voeten gaan bukken, Hartog Davids als ruiter op diens rug zitten, en toen dreef, onder het brullen van de heele school, meneer Meijer de beide snotterende jongens over den vloer, als paard en als Mordechai; hijzelf rende tusschen de banken door en schreeuwde als Haman vijf minuten lang:
„Zoo wordt den man gedaan Dien de koning Eer wil bewijzen!”
Zij lachen allen luid over den weg om Meijers uitgelatenheid.
13
197