derbij! Bezit meer als twee maal honderdduizend gulden. Ho! man! de halve waard ginder is van hem.”
„Ja? Dat schele zwijn? Die? Harm van Delden?” (Oome Louis).
„Ja, diezelfde, ja. Diezelfde schele uitgestreken honger-lijer, ja. Als je daarginder gaat staan bij zijn erf, op dat heuveltje, dan kun je rondkijken naar twee kanten net zoover als je maar met je oogen benaderen kunt, en dan is alles wat je dan ziet, dat is dan bezit van die gierige hond. Ja. Jazeker Louis.”
„Nou, maar hij neemt het er goed van; vanmorgen zag ik hem nog een mijleg-maal (koningsmaal) nemen: hij nam wel drie boterhammen met spek, en dan nog eens een vol bord met paardepap; och, wat heeft-ie gesmuld; ik had het water tusschen mijn tanden; maar dat was nou deze keer es niet omdat ik er zoo’n mirakelsche trek in had, zie je.”
„En zijn koffie?”
„Zijn koffie is hcelemaal pis. Ik verdien elke morgen minstens vijf-en-twintig gulden voor mijn moeite, om ze achter mijn rug op de vloer te krijgen.”
„Bij welke boer krijg je dan koffie? Der is net precies één huis hier in twee uur in de omtrek, waar je een mensche-lijk kop drinken wordt voorgezet. En dat is waar Bram nou net sjoumert. Maar daar zijn dan ook de beide vrouwen de baas.”
„Bij Jans en Geertje? Ja, maar dat zijn ook een paar fijne boerinnen, waarachtig als god, dat is de moeite waard.”
— „Niet? — Maar dat i s werkelijk de moeite waard? Die zijn uitgelaten met je als je komt, en je krijgt er werkelijk een buitengewoon kop koffie. En als je wilt, een heel onthaal ook.”
„Ja, daar kan je alles krijgen; een uurtje plezier misschien ook wel.”
„Dat is gekheid, dat weet ik niet. Maar wel, dat het een paar fijne boerinnen zijn, die nog een beetje kowet (eer) op hun ontvangen van een mcnsch hebben. Want dat is zoo: als ze heelemaal geen cent aan je verdienen, als ze hcelemaal de boterleverantie niet hebben, dat heb ik
r94