nemen zoolang hij geen dertien en kerkelijk aangenomen is. En dan gaan zij, Eli met een zucht van ontspanning, gelukkig in den heerlijken ochtend, alsof hij aan een langdurig gevaar is ontkomen.
Maar op den terugweg stoeit de scherts weer vaak tot uitgelatenheid in de lachende hoofden aan. Zij hebben afgesproken, elkaar aan de zij-wegen weer op te vangen, en zoo herstelt zich de groep en gaat vcrtrouwelijk-lachend en stoeiend terug. Wie kan lachen als zij ? Soms moeten zij er halt om maken, en met betraande oogen slaan zij zich op de knieën en vallen tegen elkaar aan van het ontspannende plezier. Het wordt dag, en voor dit uur is de ruimte van hen. En zij verdienen wat!
Dovidje zal een stukje borst pekelen, daar moet Jankef van komen proeven. Bij zijn leven! hij moet komen. Ja Jankef? Je komt toch ?”
„Of ik kom? Der blijft van je heele pekelvleesch niks over. Ik kan toch zeker niet weigeren als iemand me vraagt: kom aan men borst? Dat is hartelijk. Ik kom! Afgesproken!”
„En bij mijn, Jankef?”
Aan alle kanten wordt Jankef in ernst genoodigd. De een zal een joofe fleschje jomteftikkewijnkoopen; bij den ander moet hij de kalfsbout komen proeven, of hij laat hem het volgend jaar met zijn Paasch-pestboter in de steek. Ja, hij doet het toch zeker niet voor die paar rotterige tientjes ? Je weet wel, Jankef, dat i k die niet noodig heb. Het is dat ik niet graag zoo laat op mijn bed lig, en ik ben mesjogge op die drie bruine honden van die boer. En o, jullie moet dat hooren: hij legt me altijd zoo mooi zijn nieuwe testament uit, dat is een mirakel; nee, lach jullie nou niet zoo, het is werkelijk mooi: bij elke uitleg wordt hijzelf als maar meer engel, op het laatst is-ie bijna de Heere zelf; alleen jammer, hij stinkt een beetje.” „Schatrijk, hè Jankef?” zegt Jochempie.
„Die?” vangt Jankef gretig Jochem’s poging op, om den lach met ernst te consolideeren, „ja, maar dan ook werkelijk schat-rijk? een vuile, smerige, schijnheilige, schraperige bijbel-vreter, en een stiekeme Jodenhater ook nog
193