wereld. Met de honden heeft hij zich, na zcnuwsloopende angsten voor hun pooten en bekken en vooruitspringende lijven, eindelijk zoover vertrouwd gemaakt, dat zij hem ongebeten en onbesprongen laten; zijn leven lang houdt hij vrees en afschuw voor al wat levend dier is.
Maar de blatende boeren, bazen, vrouwen, meiden en knechten, zijn als wilden voor hem. Hier staat hij voor het eerst, geheel alleen, tegenover een orde van denken, voelen en leven, volkomen aan de zijne vreemd. Hier zal hij zich met de eigen krachten en met wat Hij aan veruit-wendiging daarvan verworven heeft, moeten handhaven. Bij het binnenkomen is daaraan geen twijfel meer: alle dingen, hun schikking, kleur en vorm, ruimte en ruimte-vcrdeeling botsen op zijn voorstelling. En dan: die men-schen, wier verschijning, stemklank en taal als uit een andere wereld van wording op hem aankomen.
Stil en verdoken zet hij zich op de heerd, naast de groote deel waar de koeien dampen en kauwen, bij het vuur: een van de lange meiden, zooeven losgcwocld uit haar zolderbcd, haar kort-afgesneden sluike haren nog zonder kap in den nek, brokkelt de eerste rijshouten tot een vuur en hangt den ketel over en zet de lijnkoeken bij. De zachte klaterende klanken van haar eerste begroetingswoorden slaan door het ruime vertrek; later zal hij van dat oogen-blik waarin alle vleeschelijkhcid haar damp opdrijft, den greep ondergaan naar de gevoelige zinnen. Maar in die jaren houdt hij tegen dit vijandige leven alles in zich saamgedrongen; de eerste ongevoelige beleefdhcidspraat-jes van een bijgeloopen baas of knecht, nog rauwer uit den slaap, die als een verschrikking schijnt te zijn geweest, verstaat hij niet of beantwoordt ze met een dwaas gestamel, en zijn blik droomt weer weg in het geurige vuur, smachtend naar het einde van dit pas begonnen leed.
Het leed heeft zijn hoogtepunt, wanneer deze gemeenschap zich aan den maaltijd zet: een leger van mannelijke en vrouwelijke wezens, voor een oogenblik door mest en aardekluiten losgelaten, met kleerlappen slechts bestemd tegen de rauwstc aangrijping daarvan, en met een taal die alleen uit gemompelde of uitgeblaattc klan-