bij mekaar heeft ? Is het dan niet waar, dat men zijn gal moet opvreten en zijn ingewanden voelt verteren van ellende, alleen maar om dat stukje vreten bij mekaar te krijgen om het leven te houen?” En met den wijsvinger langs zijn neus, met nieuwe klem: „versta me goed, dan heeft men nog niks; dan moet men nog de simge en de besoeres, zijn plezier en zijn verscheuring, die moet men dan nog zelf maken en dragen, daar wordt men niet bij geholpen. Is het dan niet zoo, dat iedere snotneus of gauwdief maar de baas over onze monden speelt en je behandelt alsof je compleet honden, kijleven, ja, niet anders, bij mijn leven! — of je zuiver hónden bent, louter en alleen omdat men niet zooals zij, geen geld bij elkaar heeft geschraapt” (hij schraapt hartstochtelijk met zijn handen door de lucht, bijna achter adem) „Schrapen, schrapen! die lui die denken ook hun levensdagen ook geen enkele minuut ooit aan iets anders als aan schrapen, als maar het eene boven op het andere leggen; en als het goed gaat, zoodra het een laagje gaat worden, dan is de arme man niks meer, wie-dic ook is, doet er niet toe: een hónd, ich saag es dir... as-ie duur is, de hond, wordt-ie b e t e r toegesproken...!”
„Het is zoo,” murmelen de anderen, zwakjes-vertrouwe-lijk maar vastbesloten mcesjokkend, „het is zoo, zoowaar als god leeft, het is zoo.” Het zwijgen van Oome Louis is zwaar van instemming.
„Wat heb jij dan ook verdomme booles te vreten, jij fresser,” roept Mau met een por in Jochcmpie’s zij; „hadden we der maar hier een paar dozijn hè ? met een goed kop koffie, waarachtig, het zou me best aanstaan.”
„De booles zijn voor de bollcboozen,” zegt Zakkic de Vries, het geletterde slagertje, dat in zijn betere dagen wel cens bij zware Synagoge-diensten voor ondcr-gazzen heeft mogen spelen.
Zijn winkel is nu zoo smal geworden, dat het kerkbestuur hem niet meer lust.
„Waarachtig,” schiet nu opeens weer de betrapte snoeper in een lach: „ik kom net de winkel uit... hij zag me met mijn pakkie in mijn hand eruit komen. Hij zei niks, de smeerlap; maar de volgende weck kreeg ik mijn reuzen-
186