loopen voor een stukkie brood, en voor niks anders als brood!”
„Zij zitten op hun tooges (achterste), en verdienen der wel boter en kaas en vleesch en visch op,” roept Louis de Jong, als om te toonen, dat er geen geschil bestaat over de vraag wie „zij” zijn.
„Dat moet jij an mij vertellen,” zegt Jochempie achter adem, „nee, dat moet jij noodig aan mij vertellen, voor wie ik mijn pest opspaar; dan moetje net overkomen zijn, wat mij verleden week overkomen is. Hebben ze mij mijn paar laatste vaste guldens toch afgenomen.” „Je paar gulden?”
„Ja, mijn paar gulden die ik alle weken heb gekregen, je weet toch wel, omdat ik met mijn poot niks beginnen kan. Omdat ik nou die paar weken hiermee die drie stuiver verdien. Waar men in den nacht voor uit zijn bed wordt gesleept.”
„Aan jou, Jochempie? hebben ze jou die nou afgenomen?”
„Ja wcrachtig; hebben ze me behoorlijk afgenomen: ik verdien! en ik leef der niet naar om steun te krijgen... wat zegje dervan?”
„Ja, maar,” roept Dovidje Koopmans goeiig, „jij hebt ook booles gesnoept; ik heb gehoord, ze hebben je bij de koosjere bakker uit zien komen met een reuze-mekaajem booles op je nek; daar hang jij voor, jongetje.”
„Wat, meen je van niet?” vraagt Jochempie, „o, nou ja, een kunst, jij weet het omdat ik het je zelf verteld heb; maar het is zoo, Jankef,” zegt hij tot Vader, „in waarheid is het me gezegd...: „je leeft er niet naar, om ondersteuning te krijgen; as jij lekkers bij de bakker haalt dan kom je daar niet voor in aanmerking.” Je weet wel: die twee gulden in de week, omdat ik met mijn poot haast niks beginnen kan. Hebben ze me nou afgenomen. Zoowaar ik leef.”
Jankef blijft stil staan, en de heele groep met hem, midden op den weg.
„Is het dan soms niet zoo ?” vraagt hij; „is het dan soms niet godgeklaagd, zooals dat gotspe-vulles met ons meentte mogen doen ? als het eenmaal een paar centen
185