zij leveren, nooit meer dan eenmaal zonder levensgevaar een dorp kunnen bewerken.
Allen zijn zij hartelijk op Jankef, dankbaar voor zijn saamhoorige kameraadschap, warm met zijn onuitputtelijke blijmoedigheid en zijn beeldend en verhalend woord, tuk op zijn levendigheid, zijn ironie en zijn sarcasme, en zijn lekkeren guitigen kwinkslag.
Dat komt hen in den nacht dan halen, in een roezige fluister-uitbundigheid, en in een nauw bedwongen, luidruchtige gewichtigheid, als werden zij nu allen rijk en gelukkig, als zou op zijn minst een dezer dagen de Messias nu naar hen neerkomen, liefst in een moderne jas, met veel zakken, voor veel bankpapier.
Hoe heeft hij, Eli, het zwaardoovende slaapwindsel, als in een bijna onoverwinnelijk, smartelijk verzet van het lichaam, van het hoofd te woelen, als hij, in den donkeren morgen, het laatst geroepen wordt, en de anderen, bij het kleine nachtlampje bezig ziet met koffiezetten, schuifelend en heftig fluisterend voor zijn moeder, die nog niet gewekt mag. Dan, terwijl enkele van de maats buiten staan te wachten, uit het luw-warme huis met zacht gerucht van nog slaap-beslagen kelen in den om-huiverenden dag. Nauwelijks zit hij nog overeind, de dag, het hoofd in den nacht nog. Van den nacht nog grauwe spoelingen der groote zwarte ademing, klotsend in de lucht.
De sjofele dalvers, droomende gevallen kleinburgers op het randje van het pauperdom, van dien voor den men-schelijken bloei zoo edele groep die aan de grens van een modder-oceaan naar de afgedreven stukjes voedsel duikt terwijl hij nog voorzichtig zijn kostbare ziel spaart — grommen met slaap-omwondcn schorre stemmen hun gedempt-luidruchtige uitwisselingen den nacht-stillcn weg langs: schuw-kleine woordjes over weer, getij en arbeid, overbodig gevoeld, doch slechts bedoeld als zooveel heimelijke genoegelijkheden; felle plagerijen tot zoet gestoei bestemd; stompen en slagen eindelijk, en verwen-schingen, waaronder elk de guitige vriendelijkheid weet, die het schuwe hart erin gewonden heeft. De lachende en wijze armoede wordt ten troon gezet en gevierd; de
183