BOTER, MAAR NIET TOT DEN BOOM oo jonge, kom jij zoo uitje bed los? En heb jij een goeie Poerem gehad?” vraagt hem in den nog
nachtelijken ochtend buiten, Dovidje Koopmans, tusschcn zijn tanden.
Hij weet op zulke vragen nooit goed te antwoorden; een stoppend leugenwoordje kan hij niet uitspreken; hij meent dat een vraag volledig antwoord eischt, en hoe kan hij vertellen van al zijn verwachtingen, zijn bevredigingen, en zijn teleurstellingen? daarnaar zou men toch niet meer luisteren, voelt hij wel. En dus wordt zijn antwoord een soort van grinnikende lach, waarmee hij, met een vriendelijk op-glanzen van zijn oogen saam, dankt voor de minzaamheid van die korte bemoeienis. Nog cens is het winter en Channekc geweest; een vol jaar worsteling van Droom tegen Wereld heeft hem een ietsje langer gemaakt, maar nog tenger gelaten: hij is nu negen. Het is de dag na Lotenfeest, Half vier ’s morgens; het is de eerste reveille voor „Sjemieres”, het voorgeschreven toezicht op de Paaschboter-bereiding voor meneer Meyer bij de boeren buiten de stad, op de vette weilanden en aan de klei van de rivier.
Jankef, de eenige vaste „Sjoumer”, die daar het heele jaar buiten deze maand van dubbelen dienst, zijn drie gulden per week mee verdient, heeft nu een tien of twaalftal manlui aangenomen; zij moeten die vier weken lang, tweemaal daags, den botcr-aanmaak komen volgen, ’s ochtends en ’s middags, vanaf het karnen tot het wegbrengen in de verzegelde kelderkasten. Het is een stelletje arme scharrelaars, kleurig en scherp van kontoer, in hun uiterste eenzelvigheid, alsof zij allen toevallige grillige wordingen zijn; levendig van uitbundigheid of van geslotenheid, in hun uiterst eenzelvige worsteling om brood en een pantsertje burgerlijke waardigheid. Een paar vervallen slagertjes, een stuk of wat om de andere week neertuimelendc en weer opkrabbclende vcckooper-tjes, een paar kramers van manufacturen of van geminachte galantcrieën-nonsens, wier exploitatie-gebied fnuikend klein is, omdat zij, tengevolge van de kwaliteit die
182