met het lot van zijn broers; het zet hem op een kennen-den afstand van hun zwakheid, hun vreeselijk gemis, hun bedremmeldheid en hun schaamte; en het toont hem dat hij er het slachtoffer van moet zijn. Hij heeft niet gedacht aan verklikken; hij rilt en verbergt zich, in de stilte die in het slaaphokje is gevallen, en waaruit hij telkens opnieuw zacht en verknepen moet ophuilen, onder de trillende nawerking van den schrik.
Zoo, ontroostbaar en toch aanvaardend in de vermoeienis van het verdriet, glijdt hij eindelijk laat in den slaap, die zich om hem komt wikkelen als een wonden-bettende troost.
12 181