„In de Nieuwstraat,” zegt Ezra.
„Precies, in de Nieuwstraat,” zegt Jankef, „en hij als man, hij speelt voor muis, inplaats...
„Voor dresseur.”
„...inplaats voor kattenmepper,” verbetert Jankef.
Nu lachen zij vriendelijk om de oplossing die de saam-hoorigheid brengt jegens het sexengevecht.
De meisjes voelen het, en Jetje spreekt het uit:
„Ja, toe maar hoor, meppers, jullie bent meppers.”
„Ja jongens,” zegt Jankef zwak, „het is niet in orde dat er over gesproken wordt. En daarom moet ik nog één ding zeggen, en dat is dat er over oome Louis van hieruit door niemand wordt geroddeld, hoor! Ik heb d’r heele-maal niet over willen kikken, en als Jozef d’r niet toevallig ook over begonnen was, dan was er niet over gekikt óók niet. Maar het is nou gebeurd en er wordt niet over gedonderjaagd tegen de een of de ander, want als het bij de Raaf (opperrabijn) in de buurt komt, dan mag-ie in het geheel de sjegiete (ritueele slachting) niet meer doen, en hij heeft vijanden. Valt niet te verdedigen dat-ie zoo flauw is om glaassies jenever te drinken; want ik vind het flauw en kinderachtig, bah! om van glaassies jenever niet te kunnen afblijven. Dat vind ik flauw en kinderachtig van zoo’n groote kerel, ja!” herhaalt hij tegen Hartog die protesteert.
„Geef mijn maar hoor! Ik lust wel!” pocht Hartog.
„Ja Boeh! jij lust wel, in je schoenen.”
„Nou in m’n keel ook wel.”
„Boeh!” Jankef kijkt naar moeder om, die spotlacht; en hij begrijpt het:
„Ofje d’r nou nog grootsch op bent, datje op je Gronin-gerlander oome lijkt, ja, dat begrijp ik best. Allemaal kleine jongensbluf; maar alles kan men niet verzwijgen,” verdedigt hij naar moeder’s onuitgesproken aanmerking, „maar ik vind het dan kinderachtig en flauw om als maar van die glaassies jenever waar je niks aan hebt als vergif, in je keel te gooien.”
„Dus dan heeft-ie toch nog meer dan één fout,” glimlacht Jozef.
„Wat? Ja dat is een groote leelijke makke van ’m.”
175