Als straks de andere jongen met de sprot komt, en die zingt zijn loopje met dezelfde lange uitsleepende vlaag van stille overgave aan het donker:
dan kan het wel eens hecrlijk zijn, als er negenendertig sprotjes worden binnengehaald, en de opwekkende ge-rookte en zoute prooi voor de plukvingers en de scheur-tanden van het nest worden rondgedeeld; maar het is toch een kille breuk in zijn beeld van het saam-zitten, dat de deur open moet en er een naar buiten gaat om den koop te doen. Gaat er een een verdere boodschap, dan kan hij aan niets bijna meer denken dan aan diens ver-blijf in de kille duistere vijandige ruimte buiten deze kamer; hij is bezorgd om hem, en als de broer weer bin-nenkomt, zit hij ademloos tot de deur weer gesloten is, en hij weer bijzit: geen teekcn hiervan dan een stilte in zijn afwezigheid en een omstrecling van het lieve gezicht en de gestalte van den teruggekomene; het wordt wel eens onbewust, met een stillen aai of een zoen bcloond.
Er wordt kaart gcspeeld, en de hartstocht leeft luidruch-tiger uit. Jankef, verlegen tegenovcr de berispingen van zijn vrouvv die hem verwijt de kinderen te bederven, stort zich met hen in de spanningen van whist of pandoer, en meet de intelligcntic der kinderen aan hun door-zicht en hun tegcnwoordigheid van geest bij dit spel van juist gebruik der kansen.
Hij kent den kant van waarheid in de afkeuring van zijn vrouw: het nadeel voor den maatschappelijken ordcgeest van die verhitting der zenuwen. Maar hij verwerpt de braafheid die dit mijden wil, als nog slechtcr, en speelt, waar betere vulling ontbreekt. Er wordt gevloekt, en op
171