Dc tegenstelling sneeuw en kaarslicht doet voor Eli haar werk. Buiten dc sneeuw, binnen het kaarslicht op het blikken standaardje, het Channeke-ijzer, dat den eersten dag maar één witte en goudig-fluweelen vlamwimper krijgt, den tweeden dag twee, tot zeven toe met één bediener, den „Sjammes”, die vooraan buiten de rij staat. Jankef zingt de inzegening daarbij, die heeft meneer Meyer straks in Sjoel zoo mooi gezongen dat Eli hèm had willen zijn, zooals hij daar stond, in zijn zwarten tabberd, onder zijn baret, bij de Heilige Arke, aan dien prach-tigen staanden koperen kaarsenluchter, de brandende kaars in dc hand, naast den zwarten oome Louis, „om hem vast te grijpen, als-ie soms met dat antieke ding de beenen wil nemen,” schertst Mau vol eerbied.
„Geloofd zijt Gij Eeuwige...
Die ons geheiligd heeft met Zijn geboden,
En ons bevolen heeft Om het licht te ontsteken Van het Inwijdingsfeest.”
Het is een verheuging, om de zegepraal van het oogen-blik over hun armocde-lccd. Want de plechtigheid is rijk voor Eli, al duurt zij kort, omdat op die inzegening, dadelijk het lied volgt, het ,,Mo-ous Tsoer”, dat leed, worsteling en overwinningshoop van het bevochten volk te bezingen heeft. Zij staan er allen omheen; Vader heeft dc kaars brandend in zijn grijs-blikken houder gezet, en hij, moeder, en de meisjes en de jongens zingen, temidden van de vreemdheid der wereld rondom, in de tent van hun arme huis, in vollen ernst en met een ontroerend besef van hun bestreden lot, het korte heldendicht van hun ras. Het ras worstelt, in zijn bloedige tengere minderheid van getal, tegen den steeds wisselenden vijand; het wordt verslagen tot uitroeiens toe, tien maal, twintig maal, staat w'eer op, doet zijn plicht, smijt zijn geest van felle uiterste eisching, van ontleding der levcns-werkelijk-heden en van zachtheid, in het spel der menschen-ver-edeling; staat onbegrepen en aangevallen en benard, twintig eeuwen geleden, gister en vandaag. Het ziet zijn ontkomingen en herrijzenissen als wonderen van zijn be-
166