of uit Polen komen. Der zijn der natuurlijk ook een heele-boel bij, die zoo’n beetje uit eigen wil of om alle soorten van andere reden zoo zwerven en trekken.” (tot Eli) „Vanzellef, zoo’n man vindt zal ik maar zeggen dat kruimeltje huis dat wij hier hebben, en dat je nog meegeteld wordt, dat vindt hij nog als het ware zooals wij een kootsen (rijke) bekijken.”
„Ons huis vindt hij nog een paleis. Jaa! Niet Vaa?” deunt Hanna.
Jankef voelt haar gesmui wel, maar hij gaat er uit pure goeiigheid op in: „Jazeker, is dat dan niet zoo?”
Onder zijn bescherming verwijdert zich Eli dan maar. Al vindt hij Hanna een goed en gevoelig meisje: den ernst tusschen Vader en hem — en die kan er zonder derden weer niet zijn — heeft Hanna Kwijllip toch weer met haar gejank verdreven.
Jankef wil nog niet oud zijn. Hij staat gewasschen en geschoren voor een stukje spiegel zijn bakkebaardjes te kammen en smeert er zwarte cosmetiek in, voor ieder zichtbaar.
„Kots j e ziek,” lachende jongens, en ook moederglimlacht. „Nou ja, verdomme, moet de heele wereld dan zien dat je nou al zoo smerig liederlijk grijsachtig wordt, aan beide kanten van je smoel? Net alsof je potverdomme een ouwe kerel uit een bessieshuis bent, nou al? Een beetje van die vuiligheid derin smeren, niks an te doen: je bent dadelijk zoo’n afgedaan stukkie drek. Net goed eventjes veertig jaar,” lacht de vijftiger ondeugend. Dat, en het brutale van die openlijkheid, en het mooie glimmen van zijn haartjes langs zijn schoon-geschoren wangen, verzoent Eli met het dwaze van de verf op het men-schengezicht.
Jankef doet een half-goed pakje aan, zet een geschuierd hoedje op, cn hij is, voor zijn doen, om door een ringetje te halen. En Eli gaat, een beetje gedroogd, een beetje gewasschen en gekleed, met hem het huis uit naar de Channeke-Sjoel.
Het laatste grijze sneeuwlicht valt nog door de gordijn-kieren in de kamer, als zij terugkomen.
ii 165