de straat. En waarachtig, daar dwarrelen, door den dom-pigen prikkelenden geur van de sneeuw, de broodjes van hun wagen rondom; het volk giert er omheen; de kinderen storten zich op de sneeuw, dringen en grijpen. En het wonder voltrekt zich voor zijn oogen, het voltrekt zich aan hem zelf: de zoon van van der Meulen de bakker lacht naar Lea, lacht naar hem, en daar gooit hij broodjes op: drie, vier! Lea lacht terug, en vangt er een; en een, voor hem met een lachenden blik bestemd, tuimelt vlak voor zijn voeten en komt warm in zijn handen. Hij richt zich op en staart den schenker na. En het roert door hem heen: hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk, vanmiddag? Lach naar hèm, vriendschap, en iets datje grijpen kan, omvatten, voelen in zijn warmte, en opeten. De stoet is voorbij eer hij zijn uitzinnige lachen heeft geëindigd; hij ziet niets meer van de omstanders; hij danst in de sneeuw rond met zijn krentenbroodje geknepen in zijn hand, en zijn blik vlamt in dien van Lea, die hem toelacht.
„Heb je ook? Heb je ook? Leuk hè?”
„Ja! Ja!” schreeuwt hij, „ik heb ’m gepakt! hij gooide ’m zoo vlak voor me neer; hij was voor mij! van van der Meulen!”
Van van der Meulen, van van der Meulen! Hij wil Lea wel zoenen, hij wil alles wel zoenen. De menschcn zijn goed. Alles is vergeven. Hij gooit zich dronken in huis; ginds op het plein springt de muziek voort, tusschen de huizen, breekt zich door de dikke grijze, dempende winterlucht, en overwint, en schettert voort. De muziek van de vreugde, van de menschcn die zoo goed zijn. Met wie het in orde is; die hij achter kan laten. En dat nog wel in den winter, meneertje! in den winter!
162