derden worp al laat het zijn handen in ondraaglijke pijn achter; gauw afvegen en in de zakken bergen; een martelende tinteling alsof het leven daar krampt.
Heel die wereld van straat en plein in de verharding van sneeuw en ijs is voor zijn ongewapende lichaam zoo onherbergzaam, dat als hij het niet eens altijd warme huis heeft losgelaten om beweeglijk jong te zijn, de lust om zich te redden zijn schaamte overwint en hem rillend naar de kachel-kans terugdrijft. Als die afschuwelijke kou er niet bij was, zou de winter nog wel aardig zijn, want dat dek van sneeuw en ijs langs huizen en vooral op den bodem, dat alle geluiden dempt en de straten tot kamers maakt, vindt hij wel wonderlijk; en er schijnen veel menschen en kinderen te zijn die den winter prettig vinden.
Daar hoort hij achter zich weer zoo’n snel heen en weer flapperend bellen op een schuifgeluid: een prachtige groote ar, met twee kleurig versierde en bepluimde paarden, glijdt op en houdt stil bij den bakker. Twee meisjes en een dame maken zich uit de bruin-glanzendc rij-dekens los; de heer met den bontkraag en een hooge grijze muts blijft met zijn zweep achterop wachten, vanwaar de lichtbruine lcidselriemen, de slede door, de voorstang en de trillende paardenruggen over, naar de schuddende bellen, aan de bekwaste op en neer veerende koppen loopen.
Eli, voorzichtig heen en weer schuifelend omdat hij niet stil kan staan, neemt het beeld in zich op van dien onge-loofelijken levensstaat: het is, tusschen die aan beide straatkanten warm en gehoorzaam zich stellende lage huizen, op dat witte bodemvlak, heel en al een plaatje voor hem. De moeder en de kinderen gaan bij den bakker binnen; en er is iets dat hij niet begrijpt: dat de meisjes verrukt lachen omdat zij lekkers gaan koopen. Koekjes of chocola, denkt hij, is dat dan iets bijzonders voor hen? Krijgen zij dat dan niet eiken dag? koek in plaats van brood, chocola bij elk kopje thee en koffie? Het is een slagje teleurstelling voor hem, dat zijn verwondering nog doet zwellen, als hij het drietal weer blozend en lachend naar buiten ziet komen en in de ar
160