even aardig; s’avonds naar de groote zaal van de Hoogere Burgerschool, dezen keer met Hanna alleen; daar met al de kinderen van de stadsscholen dicht opeen staan zingen, en dan elk het lekkers in je handen krijgen: ieder een groote suiker-taai en een gewone bruine taai-taai, twee groote poppen. Toen Ezra en Mau nog met hem op school waren, was het wel Veel fijner: samen naar huis, en daar lachen om dat vele. Verder was er Kerstmis dat de dagen nog een smaakje gaf: zeldzame rust en Zondag en schoone kleeren in de stad rondom; de plechtigheid van de anderen, in haar verloop ongekend, dringt toch haar geest van wijding-blijfsel tot hem door, al is het maar, dat zij de banaliteit der dingen stilzet; en s’avonds spelen vader en de jongens kaart, met een van de oomes, tot laat. Maar hoe lang is dat alweer niet geleden nu; behalve de wckelijksche Sabbath is er al dien tijd niets van feest geweest, en het schijnt of er nog lange van die harde onbeschutte wegen met duldzaamheid moeten worden afgelegd, eer warmte en een glansje levensvernieuwing zich weer eens aan hen zullen doen kennen. Paasch, en de lente, o dat is nog een bittere loop; van Chanoeka nog een maand naar Poeriem, van Poeriem nog een heele maand naar Paasch. Tot zoover is het stil doorvechten van de weken, en alleen binnenshuis is het soms nog draaglijk. Buiten zuigen sneeuw en ijs door de open schoenen, en folteren de voeten tot kreunens toe; hij moet er zich moeilijke kunstjes bij leeren: heele wegen op één kant van de wreven steunen, de teenen in de kousen die ook dadelijk stuk gaan, naar binnen omwringen en samenknijpen in het kletsnatte open voorhuisje van den schoen-neus. Dat zijn van die oefeningen die niemand weet, en die tot de functies van het leven schijnen te behooren. Geen vijf minuten buitenshuis of alles doet pijn; alle welgevallen is vergeten en in de herinnering onvindbaar weggedreven door die kou die alles in hem in beslag neemt; krimpend loopt hij met Hanna den weg naar school, een weg die lang, open en meedoogen-loos uitputtend is, en vaak lijkt het huilen verborgen nabij. Het sneeuwspel, telkens weer dapper aangepakt, moet na een oogenblik altijd weer opgegeven: bij den
159