„Nee, ik ben niet koud. Maar ik ga naar huis.”
Zij blijven nog; hij gruwt van het ijs. Ijs en ijs-jongens: een diepe verwijdering, een vijandschap die zich in hem scherpt, zich in hem bijt, vretend, vestigend, bewuster. IJsjongens: doodsgevaar, onmogelijkheid.
Want wat kan hij nog tegen hen beginnen? Vechten doet hij niet meer: het loopt toch altijd met een gemeenen strop voor hem af. Hij ontloopt het, sinds hij, eén poosje geleden, voor het laatst, zich heeft willen weren, en ondervinden moest, dat er zelfs geen gewoonste jongens-eerlijkheid jegens hem bestaat. Was er niet één van drie jongens die hem het smerigst treiterde, omdat hij toch op de hulp van de beide anderen rekende? Heeft hij het toen toch niet gewaagd, om met dien pestkop af te rekenen, toen die de anderen zoolang tegen hem opgooide, dat het zonder vechten niet meer te doen was? En wat toen ? Ze vonden het goed, dat hij met die ééne vechten zou; want die had het aangehaald; de anderen deden eigenlijk niks rechtstreeks, en tegen drie, dat hoefde niet. Nee, dat hoefde niet! Toen-ie, tot het uiterste gesard, eindelijk die jongen, even groot als hij, beet had, en in zijn bittere kracht hem op den grond zou gaan gooien, toen kwam er beweging in de anderen: Zij sprongen toe, en lieten, met hem aan zijn beenen te trekken, hèm op den grond, onder den verliezenden jongen vallen! „Geeft hem!” riepen zij zijn vijand toe, toen de jongen dan boven op hem kwam te liggen: zij deden gewoon alsof hij het eerlijk verloren had! En sindsdien laat hij met bittere verachting het vechten na, en vlucht maar als een lafbek weg bij elke dreiging: het helpt toch niet of hij durft. Ja, wat heeft hij ook eigenlijk aan den winter? Er is niets voor hem van te wachten. In stilte maakt hij een bittere rekening op; de kou is verschrikkelijk om hem heen; de scherpe Oostenwind snijdt zijn nek rood; en de puntjes van zijn ooren, van zijn teenen en vingers doen pijn als een soort verandering in metaal, waartegen alles in hem zich verzet, en dat verzet houdt hem kwellend bezig. Hij doet moeite zich in te denken hoe de gehate hitte van den zomer is, en kan het zich niet anders voorstellen dan als louter heerlijkheid. Sinterklaas was nog
158