een kreun, scheurt hij uit zijn geplette lijf tusschen zijn afgesloten lippen door; een pijnlijk, smeekend en verzettend geluid, een kreun van doodsangst. En het ontzettende dat zij daarboven blijven doorlachen.
Heeft iemand anders, daarboven, buiten deze klit van vijandschap hem dan verstaan? Daar wentelt de toren van moordlustig vleesch van zijn lijf; zijn mond komt vrij; hij worstelt snel op: Leven! Hij ziet een man met woedende oogen links en rechts schoppen; de jongens stuiven uiteen, maar met gezichten alsof zij niets van schuld tegen hem begrijpen en alsof zij mishandeld worden. Angstig huilend van den schrik die nu pas in hem opstijgt, om de vijandschap van dien opzet die hij nu pas in een terugblik tegen zich ziet leven, grijpt hij zijn pet van het ijs en stapt weg, niet te snel, maar besloten, zijn angst verborgen. Eenmaal uit hun gezicht, huilt hij, zonder tranen, heel en al geschokt van dien benauwenden angst die nu pas levend in hem schijnt; korte, droge huilgeluiden loeien uit hem, door schokken gebroken van de ontsteltenis der herinnering aan dien doodsangst. Zelfs voor verontwaardiging is geen kracht in hem; hij huivert en klappertandt. Zonder iets meer van de vele menschen op het ijs te zien, zoekt hij zijn weg door hen heen naar den wai. Langzaam gaat hij merken dat hij een felle les heeft gehad; een diep gevoel van verwijdering tusschen hem en de jongens raakt in hem bewust: hij herinnert zich alles van zijn tocht met spijt; zijn tegenzin in het ijs krijgt erkenning; hij vervloekt zijn aarzelen om zich weer van de jongens los te maken toen hij al wist dat het mis was.
,,Hè, Hoej!” Een stem van het ijs. „Wat is er met jou? Ga je naar huis?”
,>Ja-a.”
„Be-je gedonderd?”
„Wat?”
„Be-je getippeld?” (tot Ezra) „wat ziet-ie deruit.” „Getippeld? Nee.” Alle geluid, alle teekening van angst onmiddellijk bedwongen. Ónmogelijk er iets van te toonen.
„Ga maar naar huis jongetje! Je bent veel te koud!”
157