Een ander: „Eh, jawel, een jood is ook net zoo goed een mensch!”
De jongen kijkt bij die woorden naar den anderen kant van het ijs; Eli merkt het en volgt dien blik. O juist, daar ziet hij Mau en Ezra. Ezra die ook vrij heeft van zijn baas, knoeit met kleumerigheid aan de touwtjes waarmee zijn schaatsen aan zijn voeten moeten blijven hangen, terwijl Mau, die hem leert rijden, staat te wachten. Nu de jongen om hun aanwezigheid hem wil toelaten, zoekt Eli geen verband met de broers; hij moet snel door de vernedering heen waarmee hij hier mag aansluiten; zich nu nog losmaken is ook te veel daad. Dat gebeurt vaak nog zoo: hij weet dat het niet deugt, en toch doet hij het; hij blijft kleven. Als de eerste banen gegleden zijn, kan hij heelemaal niet meer weg. Er is even stilte; dan gaan de jongens zingen:
„M’n vader en m’n moeder slapen heelemaal alleen,
Heelemaal alleen”
Een aftrap en een slingerende glij over de spekgladde baan:
„Wat gemeen!”
De verdeeling vindt Eli wel aardig, en hij zingt ook mee: „W’at gemeen!”
hoewel hij zich toch niet in hun ruw, maar voor dit oogenblik echt verband voelt opgenomen.
„Toe Jood, schiet op; vooruit, Jood!”
Hij lacht een beetje wrang, in een nood-besluit, die woorden voor pure vriendschappelijke aansporing te houden, en de vriendschap zoo te dwingen. Jood beteekent immers niet altijd evenveel onvriendelijkheid; veel jongens zeggen het immers uit gewoonte.
„Ja, o! ik ga gauw genoeg hoor! op mijn hoefje niet te wachten!”
Maar er komt geen antwoord, en nu wacht hij toch maar even, om vóór een andere jongen te komen. Mau en Ezra
154