„Heeft het sjalf (jongen) bang gemaakt dat-ie niet heeft durven komen. En nou is ze (hij knikt) knappies bang dat-ie dood zal gaan, en dat zij (hij knikt nogeens) de schuld ervan zal wezen. In haar hart. Haar gooy (man) eerst een paar jaar in het Bajes gezeten voor een buitengewone stomme kenywe (diefstal) en toen... bij haar niet meer weerom gekomen... Nou zit ze daar... Foei, foei!” zucht hij, en knijpt zijn lippen uitbreedend opeen.
„De Fietse!” zeggen de jongens en zusjes, verwonderd om het veranderde beeld, het beeld van een mensch in opgedrongen doodsgevaar, dat zich van hun school-maat vóór hen zet. „De Fietse!”
Een kop koffie met een plakje koek is een goeie krachtige verkwikking na al de emoties. Eli, in zijn stilte, is er niet mee klaar. Hij zwijgt bij het aanzitten: hij heeft nog veel te verwerken. De laatste ervaring is de meest geldende: de Fietse, zes dagen zwervend. Uit angst voor het thuiskomen zonder geld. De Fietse, dat is die avond van „Vaarwel mijn Rosa”; dat is die hand die de zijne naar dat lijf bracht en ze zoo schennend bevuilde. Hij herinnert het zich, maar zijn begaanheid veegt het met één streek weg. Weg is de haat tegen dat lijf, verrassend: nooit wist hij, dat hij dat van de Fietse zoo vol zou kunnen vergeven. Hij ziet hem ziek van honger en angst aan den dijk liggen, dagen, en wat het vreeselijkste is: nachten. Donkere nachten midden in het land, buiten; vijf nachten!
Verborgen huivert hij ervan, als hij, gedekt door het gepraat der anderen, in zijn te werk gezette verbceldingnaar die duistere plek staart, aan den dijk, waar de Fietse ligt, uitgeput van honger en angst, en dan in slaap valt. Nee, daar is geen haat meer tegen dat gezicht; dat kan hij nu langs de wang streelen, wat zoo ontzettend bang is geweest. Wat daar blijft liggen, verlaten. En nog wel zoo mooi bij hem, voor hem, gezongen heeft! Ja, dat is die jonge uit dat school-lied, dat is het; en is het niet of hij naar deze werkelijkheid rondzocht, toen hij het voor het eerst zong: Dat „Ver in ’t Zuiden ligt mijn Spanje?”