open) „want hij heeft veels te veel doorstaan,” huilt zij hoog in haar keel, bijna onverstaanbaar; „ik weet ook niet wat ik doen moet, ik ben een dom mensch geweest! ik heb niet goed gedaan, Leefmans!” Het perst zich alles door een nauwe spleet van haar keel, en zij herhaalt steeds diezelfde woorden, als een zelfbeschuldiging waarachter Jankef en de jongens voelen dat zij de Fietse gedreigd moet hebben, wanneer hij zonder geld zou binnenkomen. „Wat moet je zeggen tegen zoo’n kind,” vraagt zij weer in haar tranen, „het is nog maar een kind.”
„Hoe oud is-ie nou?”
„Hij is vijftien geweest! Het is nog maar een kind!” schreit zij met een hoog overslaand geluidje.
„Jonge jonge,” zucht Jankef, „het is om van te schrikken hoor; het is een krimineel stukkie datje me vertélt, vrouw van de Berg. Dat gaat er zoo maar ineens niet bij me in. En wat zegt-ie zelf nou?”
Zij antwoordt niet rechtstreeks. Zij herhaalt alleen steeds, als in een verschen schrik: „Ik bin er zoo van door alles heen! ik ben ook een dom mensch! ik heb m’n kind ook te bang gemaakt vanzellef! dat-ie geen moed had om zoo thuis te komen! Het is al van Maandag af! En al die tijd hebben ze naar ’m gezocht!”
„’s Jonge sjonge,” zucht Jankef nadenkend tot haar, „en hcel't-ie niet durven thuiskomen. Ja. Zoo. Nou. Je maakt maar gauw voort en je gaat maar gauw weer naar huis weerom. Ik zal je een stukkie vlecsch meegeven. Ja. Hierzoo, asjeblief. Ja, de centen die krijg ik wel van je, laawe daar nou maar niet over staan te lullen, want dat is hier nou niet van belang. Gaat ’r nou maar eerst gauw maar mee naar huis. Want daar is haast bij.”
Een zacht lachen rondom, vol bewogenheid om Jankef’s houding.
Vrouw van de Berg gaat snikkend weg, steeds bang schreiend, haar schort over haar drankje en Jankef’s restant kalfsvleesch. Zij laat stilte achter en bleekheid. Jankef schudt zacht zijn hoofd: „Ze is moore (bang) dat-ie dood gaat,” zegt hij zacht.
„Nou! en niet zoo’n beetje.”
‘5°