komen omdat-ie de oudste is van allemaal. Omdat-ie de kostwinner is!”
„Wat? Wat is dat nou?” vraagt Jankef geschrokken.
Zij wendt zich rond tot alle luisteraars, zeker van de belangstelling, om zich te bevrijden van haar klemmende ontzetting en haar angst:
— „Och Leefmans! Ik ben een dom mensch! Hij had van de week Maandag gedaan gekregen van zien baas! Toe dorst-ie niet thuis te komen! Omdat-ie het wel weet dat-ie de oudste van acht is! dat-ie geld thuis moet brengen, nou zijn vader d’r niet meer is!”
„Is-ie niet durven thuiskomen? En wat toen?”
„Toe is-ie aan het zwerven gegaan. En overal hebben ze ’m gezocht! En gedregd! en alles. Ze dochten dat-ie verdronken was. En ik ook!”...
Zij schreit nu vrij uit, voor het eerst, tusschen hen in. „Ën, èn?” zoekt Jankef angstig, die nog niet goed begrijpt, „en is-ie nou thuis, goed en wel? of niet?”
„Ja!” schreeuwt Eli, die vaders angst gezien heeft om het woord „leven” uit te spreken. „Ja vader, hij is thuis!” schreeuwt hij de anderen vooruit, die zenuwachtig lachen om zijn bemoeienis.
„En is-ie nou goed?” vraagt Jankef naar haar overgebogen achter zijn bijna leege vleeschtafel.
„Nee Leefmans,” huilt zij overgegeven, „hij is niet goed, hij is hcelendal van streek! Hij kon haast niet praten, en de dokter is der-bij gekomen! Hij heeft zes dagen en nachten heeft-ie zonder eten of bed heeft-ie daar rondgezworven... Je denkt dat het groote menschen bennen,” roept zij angstig, „maar het is nog een kind! En je weet als moeder niet watje doen moet; want hij moet de kost verdienen voor mijn acht kinderen. En nou was-ie zoo bang, dat hij dorst niet thuis te komen zonder geld!”
„En ligt-ie nou op bed?” dringt Jankef. „Is-ie ziek?”
„Ik moest een drankie voor ’m halen,” snikt zij, terwijl zij een fleschje toont, „en toe zee de dokter, je moet ’m maar wat versterkends geven, zegt-ie, een stukje licht vleesch, zegt-ie, asje kan, want hij is erg minnetjes, anders loopt ’t niet zoo goed met ’m af, zegt-ie,” (hier breekt een versch geschrei uit een benauwdheid moeilijk
io