„Van dronken Lammers, ja.”
Hij kijkt haar bij die woorden aan en merkt het snel: dat het ijs tusschen hen gebroken is. Zij geeft haar vijandigheid op, in het bewustzijn van haar vernederende medeplichtigheid aan zijn smokkelarij, tengevolge van haar gierigen hang naar het koopje. Want hij gelooft nu niet meer aan haar valschen opzet: daarvoor is zij te heet op die metsic-etjes (vondsten). Met een blik naar de kinderen die op een afstand geschrokken toekijken, zegt hij: „Ja maar beste vrouw, je weet toch wel, je bent toch ook geen kind, je weet toch wel, dat ik dat eigenlijk w'ettelijk gesproken niet mag verkoopen? Dat?”
„Nou ja, dat weet ik toch wel!”
„O weet je dat wel.”
„Wei ja.”
„En die vrouw Lammers heeft die je hier gestuurd?” „Zelf gestuurd.”
„Zij, en niet hij toch?”
„Hij ? och maar hij weet nergens van, hij eet er lekker van.”
Jankef voelt veiligheid van verwantschap: dat is haar randje kantjes-afloopster dat nu spreekt. Dejongens tegen den muur voelen het meteen, en lachen:
„Hij eet er lekker van.”
Zij keert zich om en lacht: „Ja natuurlijk. Zij heeft mijn zelf gestuurd: het is goed vleesch, zegt ze, en toe zeeg ze me wat het kost en alles.”
„O zoo,” zucht hij op, bij het gegrinnik van de kinderen om de bevrijding; „o, nou, dus hoef ik dan eigenlijk niet bang te wezen dat zij derover gaat kletsen zal ik maar zeggen?”
„Heelendal niet, nee hoor. Dat doet ze niet. Want het is een beste vriendin van me.”
„Dan ken ik der toch zeker niet?”
„Nee, maar hij was toch weduwnaar, Lammers? En deze is eigenlijk zijn nieuwe tweede vrouw. Ze is ook veel jonger as hij. Ze is pas een halfjaar met ’m getrouwd.” „O, zoo, dan heb ik d’r geen erg in gehad. O, dan heeft-ie een nieuwe jonge vrouw. Ik was bang zal ik maar zeggen dat ze door haar man gestuurd was, begrijp je wel?”
146