„Twee dubbeltjes een pond toch,” zegt zij, bijna fluisterend, in het zwijgen van alle gestalten.
„Deerne,” zegt een ander,,,danka’je’nhalf-pondkoopen.” „Ja, een half pond.”
„Nou stille maar, stille maar,” zegt Jankef op den blik uit haar wijde oogen vol wanhoop naar den arme die begrijpen kan, „geef maar hier je dubbeltje, ik zal je wel helpen; stille maar.”
Hij geeft haar een pond vleesch en een greepje kluiven, en zucht, als zij, haar zware lichaam als een stijaf voor zich uitdragend, verdwijnt. De andere vrouwen praten na, zachtjes: „Zoo derbij loopen, en dan geen man en geen centen om wat te koopen, dan be-je ook goed af?” „Verdommie nou, wij bennen arrem, maar a’j der zoo voor staat, ka-je wel zeggen dat het mis met je is.” „Zoo’n jonge stumpert; ze is nog heel geen achttien jaar, die meid.”
„Ja,” zegt Hartog, „ze staat der slecht voor, maar ze heeft der ook stom bij gelegen. (Zachtjes tot Mau:) ze had bij mijn moeten komen liggen.”
„Ja, da’s zeker,” antwoordt hem een gitzwart stevig wijfje, „maar verdomme jong, wij meiden ben der beroerd aan toe, wantje hebt het ingeslikt voor je der erg in hebt.” „Nou, (een ander), ’t is jammer da’j ’t niet meteen weer uit kan spugen, de kerels kennen der wel om lollen, wij zitten der maar mee. Je moet er verdomme maar aan ge-looven o’j zin hebt of niet. Je bent somwijlen te moei om te kijken, en dan zeggen ze nog; waarvoor bin ik dan getrouwd ; wat he je der nou zelf nog an. Niks as narigheid.” De anderen lachen er weer over heen: „O, gee’je daar nog wat om, meid ?”
Zij pakt de klaagster bij haar arm en buigt zich, en na iets over Jankef te hebben gemompeld: „Dan haal je je schade wel weer 's in,” eindigt ze met een tik op de dijen van de ander. En zij gieren met elkaar, om onverstaanbare grappen.
Jankef zegt:
„Ja, ’t is goed, ’t is mooi! ik hoor het wel hoor!” Terwijl hij aan zijn ulstertje weegt: „jullie hebben het van het vleesch op de botten.”
143